Een uitleg van het laatste boek van de Bijbel. Deel 9. Openbaring 1:8-20.

Wij zien hier, wie en wat Jezus Christus is, en dat te weten, is het allerhoogste. Paulus zegt in Efeze 3:19, dat het kennen van de liefde van Christus alle andere kennis te boven gaat. Johannes hoort hier de stem van de Heere, die zegt, dat Hij, de Heere, de Eeuwige is: ‘Ik ben de Alfa en de Omega’ (Op. 1:8-20).

De A (Alfa) is de eerste letter en de O (Omega) de laatste letter van het Griekse alfabet. Dat wil zeggen dat de Heere het begin en het einde is. Maar het heeft nog een diepere betekenis, namelijk: Jezus Christus is het eeuwige Woord. Boven Hem uit is er niets meer te zeggen, want Hij is het Woord in de meest volkomen en volledige zin: ‘heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon’ (Hebr. 1:2). Alles, wat boven Jezus uitgaat is nutteloos. Daarom de toevoeging: ‘Die is en Die was en Die komt, de Almachtige’ (Op. 1:8).

Hem alleen is alle macht in hemel en op aarde gegeven. Wanneer wij meer van deze waarheid doordrongen zouden zijn, zouden wij veel rustiger zijn! Wij worden vaak door allerlei machten onder de hemel in het nauw gebracht – door machten der duisternis. Maar Hem, Jezus Christus, is gegeven alle macht en heerschappij en majesteit.  Dat is de verheven Persoon van onze gezegende Verlosser!

Nu echter naderen we de eigenlijke Openbaring. Tot nu toe hebben we slechts het opschrift van dit Boek en de inleiding ervan besproken. Nu echter komen we met de geopenbaarde Persoon in aanraking. Het eerste deel van de Openbaring onthult ons Jezus Christus met betrekking tot Zijn Gemeente op aarde, (vergelijk de Zendbrieven).  In het tweede deel van de Openbaring hebben we de onthulling van de Christus met betrekking tot Zijn Gemeente in de hemel. Daar zien we de verheerlijkte oudsten en alles, wat er na de Opname in de Heerlijkheid gebeurt. Het derde deel van de Openbaring onthult de Christus met betrekking tot de wereld en laat zien, hoe Hij de volken oordeelt. Zo gaat het dan trapsgewijs verder, tot we naar binnen zien in de volkomen Heerlijkheid: in de nieuwe Hemel en de nieuwe Aarde, waarop gerechtigheid woont.

Hier gaat het echter nu om het wezenlijke, om de Openbaring van Jezus Christus. Als we Jezus zien, dan zien we alles! We moesten niet wezenlijk meer doen, zoals velen denken, maar meer wezenlijks doen, dat betekent: Ons veel meer uitstrekken naar de Openbaring van de Heere Jezus Christus!

Het eerste wonderbare uitvloeisel is dit, dat de apostel en discipel Johannes, die toch het innigst met de Heere was verbonden, zich gelijkstelt met zijn broeders en zusters in de Heere:

‘Ik, Johannes, uw broeder en deelgenoot’ (Op. 1:9). Hij is in drieërlei opzicht broeder en deelgenoot.

Ten eerste: ‘in de verdrukking’ (v. 9). Elk kind van God moet door veel verdrukking het Koninkrijk Gods binnengaan. Ten tweede: ‘in het Koninkrijk’. Wedergeborenen zijn dragers van het Koninkrijk Gods, want als koningen en priesters dragen wij het Koningschap in ons. De Heere Jezus heeft het zo geformuleerd:

‘Het Koninkrijk van God is binnen in u’ (Luk. 17:21).

Ten derde: ‘en in de volharding van Jezus Christus’. De Elberfelder-vertaling zegt het pregnant: ‘het volharden in Jezus.’ Dat is het geheimenis van de kracht van Golgotha: Volharden in Jezus, volharden in de positie van het mee-gekruisigd zijn, in het geduld. Dat is het, wat in deze hectische wereld het meest overtuigt, wat de grootste zeggingskracht heeft. Wij hebben meestal zo lang geduld, zolang we het niet nodig hebben. Petrus zegt: ‘en beschouw het geduld van onze Heere als zaligheid’ (2 Petr. 3:15). 

Dat Johannes hier geen frasen zegt, bewijst het feit, dat hij zelf midden in eigen geloofsbeproeving zit. Hij, de apostel, die voor duizenden heeft gesproken, is nu helemaal alleen en geïsoleerd op het eiland Patmos in de Middellandse Zee. Waarom? Johannes beantwoordt zelf deze vraag: ‘om het Woord Gods en het getuigenis van Jezus’ (v. 9). Hij was dus om Jezus’ wil verbannen. Wij christenen in het (vandaag nog) vrije Westen, zijn nog niet verbannen om Jezus’ wil. In het Oosten ziet het er heel anders uit. Vele broeders en zusters bevinden zich om het Woord Gods en omwille van het getuigenis van Jezus op ‘Patmos’.

In vers 10 spreekt Johannes met grote volmacht vanuit deze ervaring van de Openbaring van Jezus Christus. Men kan niet getuigen van iets, wat men zelf niet heeft gezien. Maar hij hééft het gezien! Hij spreekt hier al in de verleden tijd. Daarbij praat hij er niet eenvoudigweg maar op los, maar hij zegt heel kort en bondig: ‘Ik was in de geest op de dag des Heeren, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin’ (v. 10).

Wat een wonderbare tegenstelling: Enerzijds is Johannes om het Woord Gods en omwille van het getuigenis van Jezus eenzaam en verlaten in de verdrukking, die hij met geduld volhoudt. Anderzijds kan hij getuigen: ‘Ik was in de geest op de dag des Heeren’. Hij zag Jezus in Heerlijkheid! In deze tegenstelling bevinden zich alle ware kinderen Gods: Aan de ene kant innerlijk aangevochten en door de vijand opgejaagd, aan de andere kant mag de Openbaring van de Heere Jezus Christus worden beleefd!

Dat was bij Paulus ook zo. Hij was een opgejaagde. Hij maakte een optelling van wat hij om Jezus’ wil heeft geleden: Honger, schipbreuk, slagen, geseling. Bovendien leed hij onder valse broeders, enz. En dat alles, hoewel hij zich ‘vleselijk’ had kunnen beroemen. Maar hij zegt: ‘Maar alles wat voor mij winst was, dat heb ik om Christus’ als schade beschouwd […] ik beschouw het als vuiligheid, opdat ik Christus mag winnen’ (Fil. 3:7-8). Anders uitgedrukt: Christus is kennelijk in mij.

MIDDERNACHTSROEP 2019-02 WIM MALGO (1922–1992)

Dit artikel is met toestemming overgenomen van Middernachtsroep.

Vergelijkbare berichten