In het boek Hooglied bezingt Salomo de liefde tot zijn bruid. Op basis van dit poëtische Bijbelboek schrijft Bijbelleraar Ger de Koning een reeks lessen over de omgang tussen man en vrouw vóór en in het huwelijk. Ook de omgang van gezinsleden onder elkaar komt aan de orde. Aflevering 10 (slot).

Gesloten en verzegeld

In Hooglied 4:12 vergelijkt de bruidegom zijn bruid met ’een gesloten tuin’ en ’een gesloten bron, een verzegelde fontein’. Dat zij gesloten en verzegeld is, wil zeggen dat hij haar ziet als iemand die exclusief voor hemzelf is, iemand die alleen voor hem openstaat. Ze laat niemand anders toe haar te benaderen. Zo is zij een tuin waarvan de vruchten alleen voor hem zijn en een bron en een fontein die alleen hem verkwikking en verfrissing geven.

Een hof of een tuin is in de Schrift een plaats waar God gemeenschap met de mens wil hebben. Dat zien we al in het paradijs (Genesis 2:8). Het is een tuin die helemaal door Hem is gemaakt als een lusthof voor Hemzelf. Daarin zijn de hoogste zegeningen van de schepping verenigd. De mens mag daarin en daarvan samen met Hem genieten. De HEERE God komt hiervoor naar hem toe ’in de namiddag’ (Genesis 3:8a).

Door de keus van de mens voor de zonde is er voor God niets van het genot van de tuin overgebleven. De mens heeft de tuin niet afgesloten gehouden. Hij heeft de duivel de toegang niet geweigerd, maar hem toegestaan binnen te komen en is met hem in gesprek gegaan (Genesis 3:1-6). Het resultaat is dat hij zijn gemeenschap met God heeft opgezegd, met als gevolg dat de HEERE God hem uit de tuin heeft moeten wegsturen.

Een huwelijk waarin absolute trouw aan elkaar de constante basis is, is een lusthof, een paradijs. Het is een tuin met een grote rijkdom aan bomen en planten. Het is een plaats van intimiteit en gemeenschap tussen een man en zijn vrouw die voortdurend wordt genoten. Deze geslotenheid en verzegeling mogen nooit ter discussie worden gesteld. Het betekent dat geen van beiden zich ooit openstelt voor de seksuele toenadering van een vreemde. Als een getrouwde man of vrouw verliefd wordt op iemand anders, is de gesloten tuin een open tuin, de gesloten bron een verontreinigde bron en de verzegelde fontein een fontein met een verbroken zegel geworden.

Het verlangen naar verboden genot komt voort uit ontevredenheid met de zegeningen die iemand bezit. Een oorzaak voor een ’openstelling’ kan bijvoorbeeld zijn dat de vrouw van haar eigen man geen aandacht krijgt en die wel van een andere man krijgt. Het kan dan gebeuren dat ze ’haar tuin opent’ voor die ander en de ’verzegeling van de fontein’ verbreekt. De man is schuldig aan het ontstaan ervan, terwijl de vrouw ook geen enkele verontschuldiging heeft. Voor het toegankelijk maken van de ’tuin’ voor een vreemde is nooit een verontschuldiging te vinden.

Een bron van vreugde

In Spreuken 15 onderwijst Salomo zijn zoon over de vrouw als een bron van vreugde voor haar man (Spreuken 5:15-19). We zullen dit gedeelte vers voor vers nagaan. Salomo zegt in vers 15 tegen zijn zoon dat hij aan zijn eigen vrouw genoeg moet hebben. Zijn zoon heeft, om zo te zeggen, in zijn eigen huis een bron die zijn dorst kan lessen. Daarmee bedoelt hij zijn vrouw. Daardoor kan bij hem ’het huwelijk … in ere zijn en het huwelijksleven onbezoedeld’, terwijl hij zich moet realiseren dat God ’hoereerders en overspelers zal … oordelen’ (Hebreeën 13:4).

Zijn vrouw voldoet aan zijn seksuele verlangens. Hij mag niemand anders zoeken voor de bevrediging daarvan (1 Korinthiërs 7:2-5). De vergelijking met een waterbak en een waterput wijst op de verkwikking die seksualiteit, die binnen het kader van het huwelijk wordt genoten, geeft. In het droge Israël is het beschikken over water een waardevolle voorziening die grote vreugde geeft. Dit is een andere voorstelling van seksualiteit dan de gedachte dat alle seksuele beleving beteugeld moet worden en alleen moet gebeuren met het oog op de voortplanting. Seksuele verlangens, zo wordt dan beweerd, zijn veel te gevaarlijk, die stromende wateren zijn veel te krachtig. Dat is echter niet de taal van de Bijbel. God heeft het verlangen naar seksualiteit in de mens gelegd als iets goeds. Seksuele omgang kan en mag in de band van het huwelijk worden genoten tot Zijn eer.

God heeft het beleven ervan in het huwelijk als een bron van diepe vreugde gegeven (Deuteronomium 24:5; Prediker 9:9; Genesis 24:67). Dat horen we in wat Salomo hier zegt. Wij mogen daarbij in het licht van het Nieuwe Testament weten dat het gaat om een verborgenheid die spreekt van Christus en de gemeente (Efeziërs 5:25-33). Het huwelijk en de beleving van seksualiteit daarbinnen hoort bij ’al [het] door God geschapene’. Daarom is het goed en niet verwerpelijk, als het tenminste ’met dankzegging wordt genomen’ in het bewustzijn dat ’het wordt geheiligd door Gods Woord en door gebed’ (1 Timotheüs 4:4-5).

Een gave van God

Seksualiteit is een gave van God, waarbij Hij aangeeft dat seksuele verlangens ontwikkeld mogen worden en wel voor en samen met de eigen vrouw. Het is nodig om daar regelmatig op te worden gewezen, ook als we al wat langer of al een lange tijd getrouwd zijn. We moeten elk verlangen naar iemand anders dan de eigen vrouw geen kans geven. We snijden die verlangens de pas af als we ze ’kanaliseren’ naar onze eigen vrouw. Het gaat om één richting, namelijk die van de eigen vrouw. Dat geldt ook voor de vrouw ten opzichte van haar man.

Het gezag of recht op elkaars lichaam (1 Korinthiërs 7:4) mag niet worden misbruikt. Dat zal niet gebeuren als de man eraan denkt dat hij zijn vrouw moet liefhebben zoals Christus de gemeente heeft liefgehad en nog liefheeft (Efeziërs 5:25). Tevens is het belangrijk elkaar te kunnen aanraken zonder seksuele opwinding, een aanraking die ook in het bijzijn van anderen kan plaatsvinden. Dan zal ook de seksuele aanraking een uiting van liefde zijn en geen misbruik van het lichaam van de ander om de eigen begeerten te bevredigen.

Vers 16 van Spreuken 5 is een moeilijk te vertalen vers. Het lijkt mij, na vergelijking van diverse vertalingen, de beste manier te zijn om dit vers als een vraag te lezen: ’Moeten je bronnen zich naar buiten toe verspreiden, de waterbeken op de pleinen?’ Een verklaring die past in het kader van het vers ervoor en het vers erna, is als volgt: als de man zijn huis en zijn vrouw verlaat om naar een vreemde vrouw te gaan, gaat hij ’naar buiten toe’, naar ’de waterbeken op de pleinen’. De bronnen die buiten zijn, de vrouw die hem verleidt, zijn voor iedereen beschikbaar, hoezeer die vrouw hem er ook van wil overtuigen dat zij er alleen voor hem is (Spreuken 7:15).

In vers 17 komt het antwoord op de vraag van vers 16: Zijn enige bron van verkwikking moet alleen zijn eigen vrouw zijn. Het mag geen optie zijn dat zijn liefde ook naar een vreemde vrouw uitgaat. In een dergelijk geval van ’liefde’ spreken is een enorme devaluatie van de werkelijke betekenis van liefde. Ware liefde houdt geborgenheid en aanvaarding in met de wens om de ander gelukkig te maken.

Seksualiteit geeft vreugde

De vader wenst dat zijn zoon in de omgang met zijn vrouw in het huwelijk gezegend zal zijn (vers 18). Hieruit blijkt dat de seksuele vreugde in het huwelijk door God is gegeven en dat daarvan mag worden genoten. De jongeman wordt opgeroepen ’verblijd’ te zijn ’over de vrouw’ van zijn ‘jeugd’. Het is een blijdschap die altijd moet blijven en zal groeien, tot de ouderdom, ja tot de dood toe (Prediker 9:9a). Het is totale dwaasheid als een man en een vrouw zeggen dat ze op elkaar zijn ’uitgekeken’ en daarom maar een relatie met ’een vreemde vrouw’ beginnen. Het is een leugen en een grote zonde, want God roept op tot blijdschap over de eigen vrouw, net zoals Hij de man oproept zijn vrouw lief te hebben.

In het vertrouwelijke gesprek dat de vader met zijn zoon heeft, zegt hij tegen hem dat hij de bevrediging van zijn verlangens bij zijn eigen vrouw kan vinden (vers 19). Hij wijst zijn zoon op het gedrag van de geliefde vrouw en maakt de vergelijking met ’een zeer lieflijke hinde, een bevallig steengeitje’. Deze dieren bewegen zich sierlijk en gracieus. Zo mag hij naar zijn vrouw kijken. Haar borsten mogen hem in vervoering brengen, hij mag er dronken van worden, er bedwelmd door raken.

In negatieve zin lezen we in het boek Ezechiël enkele duidelijke waarschuwingen over het aanraken van de borsten buiten het verband van het huwelijk:
’Zij bedreven hoererij in Egypte; in hun jeugd bedreven zij [al] hoererij. Daar werden zij in hun borsten geknepen, daar werden hun maagdelijke tepels betast’ (Ezechiël 23:3).
’Ook gaf zij haar hoererijen met de Egyptenaren niet op. Zij hadden immers in haar jeugd met haar geslapen, zij hadden haar maagdelijke tepels betast en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort’ (Ezechiël 23:8).
’Zo verlangde u sterk terug naar het schandelijk gedrag van uw jeugd, toen die van Egypte uw tepels betastten vanwege uw jeugdige borsten’
(Ezechiël 23:21).

Uit deze verzen blijkt dat God, Die de verhouding tussen Zichzelf en Zijn volk met een huwelijk vergelijkt, het Zijn volk zeer kwalijk neemt dat het zich niets aantrok van deze band met Hem en zich liet betasten door vreemden. Betasting en streling, ook van de borsten, hoort thuis in de geheiligde band van het huwelijk, niet erbuiten. Dan, en dan alleen mag je, en dan ook ten volle, van elkaars lichaam genieten.

Onophoudelijk mag de zoon in de liefde van zijn vrouw ronddolen, dat wil zeggen dat hij zich erdoor mag laten ’vangen’ en ervan in de ban mag raken. Hij mag voortdurend over haar in verrukking komen, weg van haar zijn. Het is een oproep en tevens een vermaning om zich alleen op de eigen vrouw te richten voor de vervulling van de seksuele verlangens.

Gebrek aan zelfbeheersing

In vers 20 stelt de vader enkele retorische vragen. Als de zoon bij zijn verstand is, zal hij niet ’ronddolen bij een vreemde vrouw’ voor een kortstondige verbinding met een tijdelijke genieting van de zonde. Hier wordt hetzelfde woord ’ronddolen’ gebruikt als in het vorige vers, maar daar is het een voortdurend en geoorloofd ronddolen. Bij een vreemde vrouw is geen plaats en geen tijd voor intimiteit. Intimiteit vereist een levenslange verbintenis met de vrouw van iemands jeugd.

De zonde van overspel vindt altijd in het geheim plaats, het is een werk van de duisternis (Job 24:15-16). Maar voor God is niets verborgen (vers 21; 2 Kronieken 16:9; Job 31:4; 34:21; Spreuken 15:3; Jeremia 16:17; 32:19). Hij is niet een menselijke inspecteur die af en toe eens langskomt om iets of iemand te controleren. Hij ziet en weegt al de sporen die een overspelige man nalaat.

Het woord ’sporen’ laat zien dat het gaat om een gedrag dat een ingesleten gewoonte is geworden. De weg naar de vreemde vrouw is een platgetreden pad geworden. We kunnen ook nog denken aan de (eindeloos?) lange, diepe sporen van ellende die worden achtergelaten, zoals de gevolgen voor de kinderen en andere familieleden.

Behalve dat God alles ziet, is Hij ook rechtvaardig. Hij kent het gewicht, de ernst, van overspel en zal de overspeler daarvoor oordelen (Hebreeën 13:4). ’Wegen’ wil zeggen toetsen, wat Hij zal doen aan de hand van Zijn maatstaf, de wet, in het bijzonder met toepassing van het zevende gebod: ’U zult niet echtbreken’ (Exodus 20:14).

Het besef dat er geen geheimen voor God zijn, zal ons helpen om ons ver te houden van wat het daglicht niet kan verdragen. Een open en intieme verhouding met God is een onmisbaar middel om onze menselijke relaties zuiver en rein te houden. De sleutel tot zelfbeheersing is het besef dat we nooit alleen zijn, maar dat God ons overal ziet en ons wil helpen in onze zelfbeheersing.

Door gebrek aan zelfbeheersing op het gebied van seksuele bevrediging wordt de goddeloze een gevangene van zijn ongerechtigheden (vers 22). Veel mensen denken dat ze na verloop van tijd wel met een bepaalde zonde kunnen stoppen. Ze hebben er echter geen besef van dat een zonde die regelmatig wordt herhaald, verslavend werkt en elke weerstand wegneemt om ermee te breken.

Overspel eindigt in de dood

We zien daarvan een voorbeeld bij Simson (hoewel hij geen goddeloze was), die door Delila gevangen wordt gehouden (Richteren 16:19-21). Hij is verstrikt in de zonde en wordt erin vastgehouden; hij kan zich er niet uit bevrijden. Zo wordt hij naar het verderf gevoerd. Als de jongeman niet door zijn eigen vrouw ’geboeid’ wordt, en in de ban raakt van een vreemde vrouw, zullen zijn eigen ongerechtigheden hem boeien en zal hij als een rund naar het slachthuis worden geleid. Je bent een rund als je met seksualiteit stunt.

De weg van de overspeler eindigt in de dood (vers 23). Hij sterft ’omdat er geen vermaning was’, wat wil zeggen dat er geen vermaning was waar hij naar luisterde. Wie niet luistert naar de vermaning om zich ver van een overspeelster te houden, begaat niet zomaar een dwaasheid, maar een ’grote dwaasheid’. Voor de gelovige is hoererij of overspel niet zomaar een zonde, maar een speciale zonde: ’Elke zonde die een mens doet, gaat buiten het lichaam om, maar wie hoereert, zondigt tegen zijn eigen lichaam’ (1 Korinthiërs 6:18). Wie de ’grote dwaasheid’ van hoererij of overspel begaat, verlaat de rechte weg en zal hopeloos verdwalen en omkomen.

Mooi, bekoorlijk, schrikwekkend

Hoe totaal anders ziet de bruidegom zijn bruid en gaat hij met haar om. Hij vertelt in Hooglied 6:4 weer wat zij voor hem betekent: ’Mooi bent u, Mijn vriendin, als Tirza, bekoorlijk als Jeruzalem, schrikwekkend als zij die vaandels opheffen’. Hij heeft eerder tegen haar gezegd dat zij mooi is (Hooglied 4:1). De praktische les is dat een man ook regelmatig tegen zijn vrouw zegt dat zij mooi is. Dat moet niet alleen worden gezegd als ze zich voor een bepaalde gelegenheid mooi heeft aangekleed. Het gaat erom dat ze mooi is om wie ze is, dat ze gewaardeerd wordt om haar persoon met haar eigen capaciteiten. Het is ook goed dat we dit regelmatig tegen onze kinderen en kleinkinderen persoonlijk zeggen. Ieder van hen is uniek. Bedenk iets wat alleen voor hem of haar geldt en zeg dat. Daardoor weet het kind dat het gaat om wie zij of hij als persoon is. Een moeder belde haar zoon op. Ze vroeg hem: “Waar ben je, wat doe je?” De zoon zei daar later van: “Mijn moeder is er alleen in geïnteresseerd waar ik ben of wat ik doe. Maar ze heeft er niet naar gevraagd hoe het me gaat, hoe ik me voel.” Hij miste de belangstelling voor hem als persoon.

Bij de woorden ’mooi’, ’bekoorlijk’ en ’schrikwekkend’ gebruikt de bruidegom drie beelden. De bruid is mooi ’als Tirza’. Tirza was de hoofdstad van het tienstammenrijk, voordat Omri Samaria tot hoofdstad maakte (1 Koningen 15:33; 16:23-24). Tirza betekent onder andere ’welgevallen’. Het zal een mooie stad zijn geweest. Vervolgens vergelijkt hij de bekoorlijkheid van de bruid met ’Jeruzalem’, de hoofdstad van het tweestammenrijk. Zoals de beide hoofdsteden boven alle andere steden uitsteken, steekt de bruid boven iedere andere vrouw uit. Zo mooi en bekoorlijk is de bruid voor de bruidegom.

Hij noemt haar ook schrikwekkend. Dat is zij voor hen die haar kwaad willen doen en haar relatie met haar bruidegom willen verstoren en verwoesten. Als ze vijandig wordt benaderd, als ze wordt benaderd om haar in te palmen en los te weken van haar liefdesrelatie met haar bruidegom, verandert ze in een leger, ’als zij die de vaandels opheffen’ om de vijand te weerstaan.

Na een toespraak voor jongeren over seksualiteit, met de geschiedenis van Dina als voorbeeld (Genesis 34:1-4), kwamen er twee meisjes naar me toe. Ze zagen er mooi uit. Ze vroegen wat voor kwaad het kan om, net als Dina, toch eens uit te gaan en bepaalde vriendschappen te hebben. Mijn antwoord was: “Dan begeven jullie je op gevaarlijk terrein. Jongens kunnen op jullie afkomen en die willen ’wat’ met jullie. Daarvoor zijn zij daar. Als jullie daar ook zijn, denken ze dat jullie hetzelfde willen.” “Ja, het is wel eens gebeurd”, zei een van hen, “maar ik heb nee gezegd.” Mijn reactie was: “Als een jongen dat aan jou heeft kunnen vragen, betekent het dat je al te ver bent gegaan.” Zulke meisjes hebben de vaandels, het vaandel van de liefde voor de Heer Jezus (Hooglied 2:4; 5:10), niet opgeheven. Zij schrikken de wereld niet af, maar presenteren zichzelf als aantrekkelijk voor de wereld.

Het gedachteleven

Van de aspecten die de bruidegom van de schoonheid van de bruid noemt, wil ik in verband met ons onderwerp inzoomen op de ’slapen’ van de bruid (Hooglied 6:7). De slaap is de zijkant van het hoofd, achter de ogen. De slaap is het kwetsbaarste deel van de schedel, omdat hier het bot het dunst is en enkele delen van de schedelbotten hier in een vroeg stadium in de ontwikkeling van het lichaam samengegroeid zijn. We kunnen de slapen toepassen op het denken, het gedachteleven. Dit is, zo zegt de bruidegom, ’als een opengesprongen granaatappel’, wat overvloedige vrucht symboliseert. Die vrucht ziet hij in haar toewijding, waarvan haar ’sluier’ spreekt.

Ik moet in mijn gedachten altijd rekening houden met wat mijn vrouw van iets vindt. Zoals ik voor God sta, sta ik ook voor mijn vrouw. Wij zijn een eenheid. Dat geldt bijvoorbeeld ook als de man op zijn werk is en zijn vrouw thuis. Wat de man op zijn werk tegen iemand zegt, zou hetzelfde moeten zijn als wanneer zijn vrouw erbij was. Dit is een bescherming van het huwelijk en tevens een verdieping ervan. In een verhouding van liefde en vertrouwen zijn er geen geheimen voor elkaar.

Wees op je hoede met je geest

In het boek Maleachi staan in hoofdstuk 2 twee belangrijke verzen over het huwelijk en huwelijkstrouw. Aan het eind van beide verzen staat een waarschuwing met betrekking tot onze geest, ofwel onze gedachten. In vers 15 staat: ‘Heeft Hij er niet maar één gemaakt, hoewel Hij nog geest overhad? En waarom die ene? Hij zocht een goddelijk nageslacht. Daarom, wees op uw hoede met uw geest, en handel niet trouweloos tegen de vrouw van uw jeugd.’ In vers 16 staat: ‘Want de HEERE, de God van Israël, zegt dat Hij het wegsturen van de eigen vrouw haat, hoewel men het geweld bedekt met zijn gewaad, zegt de HEERE van de legermachten. Wees dus op uw hoede met uw geest en handel niet trouweloos.’

Deze boodschap helemaal aan het einde van de geschiedenis van Israël in het Oude Testament spreekt duidelijke taal tot ons die aan het einde van het christelijk tijdperk leven. Wij worden voortdurend en op steeds indringender wijze in onze geest, in ons denken, aangevallen om over het huwelijk te gaan denken zoals de wereld dat doet. Die geest is al diep in de christenheid binnengedrongen. Daarom is de boodschap van Maleachi ook voor ons actueel. Het is nodig deze beide verzen tot slot van de lessen over het huwelijk en het gezin tot ons te laten spreken.

Hij heeft er maar één gemaakt

We kijken eerst naar vers 15. Daar staat dat God ‘maar één gemaakt’ heeft. Dat verwijst naar de instelling van het huwelijk. Daarin zijn man en vrouw een eenheid. God ‘schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen’ (Genesis 1:27; Mattheüs 19:4-6). Hij heeft maar één mensenpaar gemaakt dat Hij in de band van het huwelijk heeft samengebonden. Man en vrouw zijn samen de ene mens. Adam krijgt Eva als de ene vrouw die bij hem past. Met haar vormt hij een eenheid, met haar is hij ‘één vlees’ (Genesis 2:24).

God heeft Adam slechts één vrouw, Eva, gegeven en daarmee het patroon voor elk huwelijk bepaald. Waarom heeft Hij dat zo gedaan? Omdat Hij alleen binnen de heilige band van het huwelijk een door Hem gewenst ‘goddelijk nageslacht’ kan vinden. Hierin ligt opgesloten dat het Gods bedoeling is dat kinderen worden geboren en opgevoed in de sfeer van liefde en trouw die er tussen een man en een vrouw in het huwelijk is.

We zien hier ook hoezeer huwelijk, huwelijkstrouw, en kinderen bij elkaar horen. God heeft het huwelijk ingesteld om daardoor kinderen geboren te laten worden. We kunnen aan de hand van Genesis 1 en 2 zeggen dat de seksualiteit twee kenmerken heeft. God wil die gebruiken voor de voortplanting, het krijgen van kinderen. God geeft seksualiteit ook om als man en vrouw van elkaar te genieten, om de vreugde van de herkenning te beleven van de ander als iemand die bij je past. Bij ontrouw aan de vrouw van de jeugd worden beide doelstellingen vernietigd.

God haat de echtscheiding

Vers 16 begint met het woord ‘want’. Dat geeft aan dat wat volgt, direct is verbonden aan het voorgaande vers, waarin Maleachi Gods plan met het huwelijk heeft getoond en hoe belangrijk het is daarin niet trouweloos te handelen. Dit trouweloze handelen vindt zijn hoogtepunt, of beter gezegd: dieptepunt, in het wegsturen ofwel de echtscheiding. Wie niet dicht bij de Heer blijft, loopt de kans ontrouw te worden aan zijn eigen vrouw. Wie van de Heer vervreemdt, vervreemdt ook van zijn omgeving, het meest van zijn huisgenoten en het allermeest van zijn vrouw. In die vervreemding kan de aandrang om bijvoorbeeld pornografische sites op internet te bekijken niet meer worden weerstaan. Zo gaat iemand steeds meer vreemd. Er worden contacten gelegd via sociale media. Ontmoetingen worden geregeld. Ten slotte is er geen weg meer terug en wordt de echtscheiding een feit.

God haat de echtscheiding omdat het Zijn bedoeling met het huwelijk kapotmaakt. Die bedoeling is dat in elk huwelijk de eenheid tussen Christus en de gemeente zichtbaar wordt gemaakt (Efeziërs 5:31-32). Dat had God in gedachten toen Hij man en vrouw schiep en het huwelijk instelde als de legitieme sfeer waarbinnen de seksualiteit mag worden beleefd. Dat was voorheen een verborgenheid, onbekend aan de mensen, maar Paulus maakt, geleid door Gods Geest, deze verborgenheid bekend. Als Gods Geest dat niet had gedaan, hoe zouden we dan hebben geweten van de volkomen eenheid tussen Christus en de gemeente en van de volkomen liefde van Christus voor de gemeente? Hier hebben we de werkelijke reden waarom velen het huwelijk zoals het door God is ingesteld als ‘achterhaald’ en ‘achterlijk’ verklaren, namelijk dat het huwelijk een afbeelding is van de verbinding tussen Christus en de gemeente.

Als we niet met onze geest op onze hoede zijn en de Heer niet de controle over onze geest geven, zal ons denken worden beïnvloed door de publieke opinie. Dan beginnen we begrip te krijgen voor allerlei alternatieve vormen van samenleven. We nemen kennis van het nieuws en van allerlei onderzoeken. Sommigen kijken regelmatig naar praatprogramma’s of soapseries waarin de spot wordt gedreven met huwelijk en huwelijkstrouw. Wanneer dat met enige regelmaat gebeurt, is er niet te ontkomen aan de afstomping van de geest. Daar begint de ontrouw.

De Heer zij met je geest

Als we onze geest, ons denken, op Christus en de gemeente gericht houden, zullen we niet alleen voor ontrouw bewaard worden, maar ook optimaal kunnen genieten van wat God in het huwelijk heeft gegeven. Met het oog daarop wens ik de lezer wat Paulus zijn jonge vriend Timotheüs in zijn tweede brief aan hem wenst. Het is Paulus’ laatste brief, als het ware zijn geestelijk testament. Zijn laatste woorden daarin zijn: ‘De Heer zij met je geest’ (2 Timotheüs 4:22). Deze woorden blijven klinken tot de komst van de Heer Jezus om Zijn gemeente als Zijn bruid tot Zich te nemen en met haar Zijn bruiloft te vieren (Openbaring 19:7-8).

 

 

Door Ger de Koning voor Bijbels Beraad M/V 

Laat een reactie achter

0.00