Serie korte Bijbelstudies uit het O.T.
Juda’s zonderegister na het verlaten van zijn broers
‘Het gebeurde in die tijd dat Juda van zijn broers wegtrok’.
(Genesis 38:1)
Dit hoofdstuk vormt een onderbreking in de geschiedenis van Jozef, die door zijn broers werd verkocht naar Egypte. Eigenlijk hadden zij hem willen doden, maar Juda had het advies gegeven dat niet te doen en hem te verkopen aan de Ismaëlieten (Gen. 37:26-27). Maar tegenover zijn vader nam Juda geen afstand van de verkeerde handelwijze van de broers. In Genesis 38 zien wij hem een eigen weg gaan en wegtrekken van zijn broers. Misschien wilde hij een eigen toekomst opbouwen en onafhankelijk zijn.
Het verlaten van zijn broeders is – geestelijk toegepast – in ieder geval geen gunstige zaak geweest. Het is juist goed en liefelijk als broeders ook samenwonen (Ps. 133:1). Het weggaan uit het midden van de ‘broeders’ is nieuwtestamentisch gezien zelfs het kenmerk van een ‘antichrist’ (1 Joh. 2:19). Sommige vertalingen spreken van het ‘afdalen’ van Juda in vers 1, zoals later ook Jona afdaalde toen hij een weg insloeg die hem van God wegvoerde.
Consequentie van Juda’s handelen
De consequentie van Juda’s handelen was dat hij verbindingen aanging met een verdorven, afgodische wereld. Hij trouwde met de dochter van een Kanaäniet (vs. 2). Dit was helemaal in strijd met Gods bedoelingen voor Zijn uitverkoren volk, dat afgezonderd van de heidenvolken de HEERE met een toegewijd hart moest dienen. Maar ook nu kan het gebeuren dat een gelovige een óngelijk juk aangaat met een ongelovige (2 Kor. 6:14-18).
Het is opmerkelijk dat het boek Zacharia eindigt met de profetische woorden: ‘Op die dag zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de HEERE van de legermachten’ (Zach. 14:21).
Juda’s nageslacht diende evenmin de HEERE. Er, de eerstgeborene van Juda, wekte het misnoegen van de HEERE op en Hij doodde hem (vs. 7). Hoe zou de relatie tussen vader en zoon (Juda ten opzichte van Er) zijn geweest? De zonde in het leven van de eerstgeborene wekte in ieder geval Gods toorn op en deze zonde werd door Hem in Zijn rechtvaardige regering bestraft. Er stierf. Zonde tot de dood is er, zo bevestigt de apostel Johannes (1 Joh. 5:16). Dat is zonde die zo ernstig is, dat herstel niet meer mogelijk is. Dit moet ook tot Juda’s hart hebben gesproken, hij was immers een ‘godlover’ (dat is de betekenis van zijn naam).
Vervolgens zien wij het falen van Juda’s zoons in hun onderlinge relaties. Ook wij kunnen als leden van Gods ‘huisgezin’ falen in onze onderlinge betrekkingen en niet voldoen aan verplichtingen ten opzichte van onze broeders en zusters. Dat kan in ernstige gevallen leiden tot de dood, zoals dat ook gebeurde met Onan, Juda’s tweede zoon, die weigerde zich te houden aan de eisen van het zwagerhuwelijk (vs. 8-10).
Opeenvolgende, ernstige zonden
Daarna volgden nog drie ernstige zonden van Juda ten opzichte van Tamar, zijn schoondochter. In de eerste plaats loog hij tegenover haar, toen hij haar beval als weduwe in het huis van haar vader te gaan wonen. Zijn bedoelingen waren niet oprecht (vs. 11). God, die onze harten kent en weet wat de mensen denken en wensen, heeft het laten optekenen in Zijn Woord. Het is ook beschreven tot waarschuwing voor ons. Voor God kan niets verborgen blijven. Dit onrecht tegenover Tamar werd helaas gevolgd door nog grovere zonden.

Na het sterven van Juda’s eigen vrouw volgde het overspel met Tamar. De zonde van hoererij – hier zelfs incest – is niet slechts zonde tegen Gods gebod, maar ook zonde tegen het eigen lichaam, dat immers een tempel dient te zijn van de Heilige Geest (1 Kor. 6:18-20). De zonde vernedert en degradeert de mens tot het niveau van een redeloos dier.
Ten slotte was daar de zonde van huichelarij bij Juda op grond van zijn dubbele moraal. Hij wilde zijn schoondochter zelfs laten doden, een vorm van ‘eerwraak’ (vs. 24). Maar de terechtstelling van Tamar ging niet door en Juda moest erkennen dat zij rechtvaardiger was dan hij (vs. 26 Statenvert.). Hij beleed daarop eerlijk zijn zonde en onthield zich van verdere onreinheid.
Wonder van genade
Maar wat een wonder van genade is het dat zowel Juda als Tamar en haar nageslacht genoemd worden in het geslachtsregister van onze Heer en Heiland Jezus Christus (Matt. 1:3). Er is geen zonde te groot om vergeven te kunnen worden, en geen enkele berouwvolle zondaar zal door de Heiland met lege handen worden weggezonden.
Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter geplaatst.
Veel materiaal is speciaal geschreven voor het digitale magazine ‘Rechtstreeks’ (dit is gratis te downloaden via www.oudesporen.nl). Verder moet nog worden vermeld dat de eerste drie karakterschetsen door dhr. H. Bouter vrij vertaald en bewerkt zijn uit het Engels. Deze zijn van de hand van David Reid, een Amerikaanse Bijbelleraar.
