Overgebleven Brokken (10): De omgang om het altaar

Serie korte Bijbelstudies uit het O.T.

Deel 10: De omgang om het altaar

‘Ik was mijn handen in onschuld, en maak de omgang om Uw altaar, o HEERE, terwijl ik luid een loflied doe horen, en al Uw wonderen vertel’.
Psalm 26:6-7

De noodzaak van het wasvat

Wanneer de priesters dienstdeden bij het altaar of naar het heiligdom gingen om daar hun taken waar te nemen, moesten zij eerst bij het wasvat hun handen en voeten met water wassen (Ex. 30:17-21). Anders zouden zij sterven. Zo groot was de heiligheid van de HEERE. Zo was er ook het voorschrift om nuchter de tent van ontmoeting binnen te gaan en geen vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE te brengen (Lev. 10).

De eerste maal dat het ‘wassen van de handen’ in de Schrift wordt vermeld, is in Deuteronomium 21:1-9, bij de verzoening van een moord door een onbekende gepleegd. De oudsten van de dichtstbijzijnde stad moesten hun handen wassen boven het offerdier en zo hun onschuld betuigen ten opzichte van het bloed dat was vergoten. In de psalmen komt de uitdrukking verder nog voor in Psalm 73:13, en daar is het al louter figuurlijk bedoeld. Bij het lezen van Psalm 26 denken wij natuurlijk in eerste instantie aan de beide voorwerpen in het voorhof van de tabernakel: het wasvat en het koperen brandofferaltaar. Ze worden hier allebei aangeduid in vers 6.

Voor ons als gelovigen, in de nieuwtestamentische bedeling, geldt uiteraard de zinnebeeldige betekenis: wij wassen onze handen (en voeten) in het waterbad van Gods Woord (Ef. 5:26). Alleen zo kunnen wij vrijmoedig tot God naderen om
– (a) altaardienst te verrichten bij het ‘brandofferaltaar’, dat wil zeggen dóór Christus onze offeranden van lof en dank aan God te brengen, en
– (b) het hemelse heiligdom te betreden om daar als priesters ‘reukwerk’ te offeren en dienst te doen in de tegenwoordigheid van onze God en Vader.

De omgang om Gods altaar

Nadat de offeraar zelf het offerdier had geslacht, moesten de priesters, de zonen van Aäron, het bloed sprenkelen rondom op het altaar. Wanneer het offer als vuuroffer moest worden verbrand, moesten de delen ervan worden geschikt op het hout dat op het vuur op het altaar lag (zie o.a. Lev. 1). Bij het verrichten van deze handelingen maakten de priesters dus de omgang om het altaar. Maar ik neem aan dat Psalm 26 ziet op het in rook doen opgaan van het offer, waarbij de offeraar en ook de priester van alle zijden van het altaar met bewondering toekeken en Gods lof bezongen.

De acceptatie van de offeraar was immers afhankelijk van het tot as verteren van het offer (Ps. 20:4 Statenvert.). Wanneer wij als aanbidders het werk en de Persoon van onze Heiland gedenken, dan maken wij figuurlijk gesproken ook de omgang om het altaar. Wij willen Zijn verzoeningswerk van alle kanten bezien, en Hem en onze God en Vader prijzen en verheerlijken.

Het werk en de Persoon van onze Heiland gedenken – figuurlijke omgang om het altaar

  • (1) De ‘omgang’ begint bij de noordzijde van het altaar, want dat was de plaats waar de offerdieren werden geslacht (Lev. 1:11). De noordkant is wel vaker de kant van oordeel en toorn – denk aan de Assyriërs, die de roede van Gods toorn waren, en de koning van het noorden in het boek Daniël. Bij deze kant van het altaar kunnen wij dus denken aan het oordeel dat wij hadden verdiend, maar dat Christus plaatsvervangend voor ons heeft gedragen. Hij is voor ons gestorven, opdat de toorn van een heilig en rechtvaardig God ons niet zou treffen. God straft de zonden slechts éénmaal. Christus is het Lam dat geslacht is voor onze zonden. Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften (1 Kor. 15:3).

  • (2) Van de noordzijde gaan wij naar de oostzijde van het altaar, waar de asbelt was (Lev. 1:16). Met de as moest zorgvuldig worden omgegaan (Lev. 6:10-11). Dit herinnert aan het wegnemen van het lichaam van Jezus en Zijn begrafenis door Jozef van Arimathea, die dit samen met Nicodemus deed (Joh. 19:38-42). De oostzijde, bij de ingang van de tabernakel, was echter ook de plaats waar de zon opging (Num. 2:3; 3:38).

    Dit spreekt van Christus’ opstanding uit de doden en profetisch gezien ook van Zijn verschijning in heerlijkheid. De dag zal aanbreken en de Zon der gerechtigheid zal opgaan (Mal. 4:2). De heerlijkheid van de Heere zal terugkeren door de poort die naar het oosten gericht is (Ezech. 43:4). Begrafenis en opstanding horen bij elkaar. Dat is de les van de oostzijde van het altaar. Christus is begraven en op de derde dag opgewekt, naar de Schriften (1 Kor. 15:4).

  • (3) Dan volgt de zuidzijde, d.i. de plaats van zegen als gevolg van het volbrachte verlossingswerk. Izak woonde in het Zuiderland en werd daar door God gezegend (Gen. 24:62; 25:11). Wij zijn als christenen nu gezegend met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten (Ef. 1:3). Wij hebben echter in de praktijk van het leven zowel de koude noordenwind van de beproeving als de warme zuidenwind van voorspoed en zegen nodig, om vrucht te kunnen dragen voor God en een welriekende balsemgeur te kunnen verspreiden (vgl. Hoogl. 4:16).

  • (4) De omgang om het altaar eindigt bij de westzijde, d.i. de plaats waar de zon óndergaat. Psalm 72 bevat enkele verwijzingen naar dit laatste punt. Men zal de Vredevorst eren, ‘zolang de zon er is’ (vs. 5). Het dalen van de zon in het westen is profetisch gezien het einde van het Vrederijk, wanneer Christus het Koninkrijk overgeeft aan God de Vader (vgl. 1 Kor. 15:24).

Verder zullen ‘de koningen van Tarsis en de kustlanden’ komen om hun geschenken aan te bieden (vs. 10). Dat zijn de volken uit het westen (zie Gen. 10:4-5). Samen met de andere volken die gespaard zijn gebleven, zullen zij optrekken naar Jeruzalem om de Vredevorst te huldigen (Zach. 14:16-17).

Zó uitgestrekt zijn de gevolgen van het werk op het kruis van Golgotha: de zegen reikt
(a) tot de einden van de aarde,
(b) tot alle volken, en wel
(c) tot in de verre toekomst (vgl. Ps. 22:28vv.).

Wanneer wij staan bij de westzijde van het altaar is er dan ook alle reden om luid een loflied te doen horen en al Gods wonderen te vertellen.

Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.

Veel materiaal is speciaal geschreven voor het digitale magazine ‘Rechtstreeks’ (dit is gratis te downloaden via www.oudesporen.nl).

Vergelijkbare berichten