19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament
Deze is Mijn geliefde Zoon (deel 1)
‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden’.
Mattheüs 3:17
De presentatie van de Zoon en Zijn verwerping
Wij lezen in Mattheüs 11 dat het getuigenis van Christus niet algemeen werd aangenomen. De leiders van Israël wezen Hem af:
‘In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard. Ja Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U. Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren. Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven. Neem Mijn juk op u en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht’.
Zijn verwerping krijgt gestalte in het volgende hoofdstuk, waar gezegd wordt:
‘De farizeeën nu gingen naar buiten en beraadslaagden tegen Hem dat zij Hem zouden ombrengen. Daar Jezus dit echter wist, vertrok Hij vandaar; en vele menigten volgden Hem en Hij genas hen allen. En Hij waarschuwde hen dringend dat zij Hem niet openbaar zouden maken; opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet Jesaja, die zei:
‘Zie, Mijn Knecht die Ik heb verkoren, Mijn Geliefde in Wie Mijn ziel welbehagen gevonden heeft! Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en oordeel zal Hij de volken verkondigen. Hij zal niet twisten of schreeuwen, en niemand zal Zijn stem op de straten horen; een geknakt riet zal Hij niet verbreken en een walmende vlaspit zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel uitvoert tot overwinning; en op Zijn naam zullen volken hopen’
(Matt. 12:14-21).
Deze is Mijn geliefde Zoon
In Mattheüs 17 vinden we bij de verheerlijking op de berg een nieuw getuigenis van de Vader over de Zoon, dat voortbouwt op de eerdere openbaring bij Christus’ doop in de Jordaan. Deze gebeurtenis is een voorproef van de heerlijkheid van het Messiaanse rijk, dat bij Christus’ wederkomst zal worden opgericht:
‘En na zes dagen nam Jezus Petrus, Jakobus en zijn broer Johannes mee en bracht hen afzonderlijk op een hoge berg. En Hij werd in hun bijzijn van gedaante veranderd; en Zijn gezicht straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht. En zie, hun verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken’.
‘Petrus nu antwoordde en zei tot Jezus: Heer, het is goed dat wij hier zijn; als U wilt, zal ik hier drie tenten maken, voor U één, voor Mozes één en voor Elia één. Terwijl hij nog sprak, zie, een lichtende wolk overschaduwde hen; en zie, een stem uit de wolk, die zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen gevonden heb, luister naar Hem. En toen de discipelen dit hoorden, vielen zij op hun gezicht en werden zeer bang. En Jezus kwam bij hen, raakte hen aan en zei: Sta op en wees niet bang. Toen zij nu hun ogen opsloegen, zagen zij niemand dan Jezus alleen’
(Matt. 17:1-8).
Het zoonschap voor Hemzelf
En dan lezen we nog iets uit de brief aan de Efeziërs, want God heeft nu ook in mensen een welbehagen gevonden, namelijk in al diegenen die met Zijn geliefde Zoon zijn verbonden en die naar Hem luisteren:
‘God heeft ons tevoren door Jezus Christus tot het zoonschap voor Zichzelf bestemd, naar het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde, in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade’
(Ef. 1:5-7).
Tot zover de schriftlezingen.

De Persoon van Christus in het oog van God de Vader
Wij zingen vaak over de rijkdom van de Naam van Christus. Die is onnaspeurlijk in zijn grootte, in zijn reikwijdte en in zijn heerlijkheid. Wij zingen ook wel: ‘Onnaspeurlijk blijft die naam in zijn glans en rijkdom saam’. Wij spreken dan over de heerlijkheid van de Persoon van Christus in het oog van God de Vader:‘O Vader, Eén is boven allen, het Voorwerp van Uw welgevallen’.
En als wij iets zien van de heerlijkheid van Christus, dan hebben wij gemeenschap met God de Vader, want dan delen wij in de gedachten die God de Vader heeft over Zijn Zoon. Dan delen wij in de bewondering die de Vader heeft voor de Heere Jezus. De Vader heeft telkens in alle omstandigheden van het leven van Zijn Zoon hier beneden welgevallen in Hem gevonden, Zijn welbehagen.
Welbehagen
Dit is een woord dat we niet zoveel gebruiken, maar ik meen dat in de Franse vertaling staat: bon plaisier. Dan heb je dus het woord plezier en dat is wat alledaagser. En dan zien we dus dat zoals een vader plezier heeft in zijn zoon, dit in veel hogere zin geldt voor God de Vader. Hij heeft alles wat Hem vreugde geeft, gevonden in de Heere Jezus. En we weten dat dit eigenlijk zo van alle eeuwigheid is geweest, dat de Heere Jezus als een Troetelkind bij Hem is geweest – een voedsterling staat er in de oude Statenvertaling.
En Spreuken 8 zegt ook dat God Zijn vreugde in Hem vond. Zijn welgevallen gold de Zoon, toen Hij als een kind in Zijn schoot was. En dat is niet veranderd toen de Heere Jezus Mens werd, nadat Hij vlees en bloed had aangenomen en hier in vernedering op aarde kwam. We hebben hier enkele plaatsen over gelezen. En het is leerzaam voor ons, denk ik, om erover na te denken en te zien hoe dit ook een voorbeeld voor onszelf kan zijn als gelovigen.
Want dat is toch wel de praktische les die we uit dit gedeelte mogen halen. In Efeziërs 1 hebben we gelezen dat wij als kinderen van God begenadigd zijn in de Geliefde, en bestemd zijn tot het zoonschap voor God de Vader naar het welbehagen van Zijn wil. Dit is tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade. En is het geen wonder van genade dat God ook in ons als Zijn kinderen een welgevallen kan vinden, een welbehagen? Namelijk doordat wij ons zó gedragen en zó leven, dat wij die dingen doen en zeggen die God, om zo te zeggen, plezier geven. Waarmee Hij blij kan zijn, waarmee Hij tevreden is.
Het eerste voorval van Gods welbehagen
Het eerste voorval waar wij lazen over Gods welbehagen, was in Mattheüs 3 bij de doop van de Heere Jezus in de Jordaan, waar Hij Zich voegde bij de dopelingen die door Johannes, Zijn heraut en voorloper, werden ondergedompeld. Dit was de doop van de bekering, het maken van een nieuw begin. En Johannes realiseerde zich heel goed, toen Jezus bij hem kwam, dat Hij heel iemand anders was dan al die slechte mensen die hij liet dopen en die zich wilden bekeren van hun verkeerde leven om een nieuw begin te maken. We lezen dat er allerlei slag van mensen bij Johannes kwam en voor iedereen had hij een woord, ook voor de soldaten, voor alle mogelijke mensen.
Maar van de Heere Jezus heeft Johannes gezegd: ‘Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt’ (Joh. 1:29). Het is niet helemaal duidelijk of dit al is gebeurd is bij de doop van Christus. Het kan ook bij een wat latere gelegenheid zijn geweest. In ieder geval was Johannes zich ervan bewust dat de Heere Jezus geen zondaar was, zoals alle andere Israëlieten.
En daarom had hij ook geprotesteerd, toen de Heer bij Hem kwam met het verzoek door Johannes gedoopt te worden. ‘Ik heb nodig door U gedoopt te worden’, zei Johannes. ‘En U komt tot mij?’ Maar de Heer antwoordde en zei tot hem: ‘Laat Mij begaan, want zo past het ons alle gerechtigheid te vervullen’. En toen Johannes de Doper ermee had ingestemd, heeft hij de Heere Jezus ook gedoopt in het water van de Jordaan.
Wat betekent het dat de Heer zegt: Zo past het ons alle gerechtigheid te vervullen? Het was de wil van God toen de Heere Jezus hier op aarde kwam, dat Hij Zich voegde bij het berouwvolle overblijfsel van Zijn volk, voor wie Hij kwam om hun zonden en ongerechtigheden weg te nemen. Dat was de wil van God. En alle gerechtigheid vervullen, dat zou je ook als volgt kunnen weergeven: te doen wat recht is in het oog van God, Zijn wil te vervullen, die goed en heilig en rechtvaardig is.
De Heere Jezus was gekomen voor zondaren. Hij is ook voor u en voor mij gekomen. Hij heeft Zich gevoegd bij deze mensen, die te midden van het volk Israël door Johannes als een groep apart waren gezet. Hij wilde voor hen lijden en sterven, en zo wilde de Heer ook voor ons komen en onze plaats innemen door voor ons te lijden en te sterven.
De lijdensdoop
De doop die de Heere Jezus onderging, kunnen we misschien ook zien als een verwijzing naar het kruis, waar Christus onderging in een vreselijke ‘oordeelsvloed’. Ik moet met een doop gedoopt worden, zei Hij met het oog op het kruislijden, en hoe benauwt het Mij totdat het is volbracht (Luk. 12:50). Maar nadat de Heere Jezus was gedoopt, ging de hemel speciaal voor Hem open. Hij steeg terstond op uit het water; en zie, de hemelen werden Hem geopend. Hij zag de Geest van God neerdalen als een duif en op Zich komen. En zie, een stem uit de hemelen zei: ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden’ (Matt. 3:16-17).

De hemel ging open om duidelijk te maken dat deze Dopeling, die was ondergegaan in het water van de Jordaan en daarna weer uit het water was opgeklommen, niet zo was als alle andere Israëlieten. Hij was geen zondaar. Integendeel. God Zelf opende de hemel hier om te zeggen: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden. Gods welbehagen rustte op de Heere Jezus, zodra Hij was ondergegaan in het water en weer was opgestegen en Zich had gevoegd bij die andere mensen die gedoopt waren. Hij was de grote uitzondering, om zo te zeggen.
De drie Personen van de goddelijke Drie-eenheid bij elkaar
Wij lezen in Romeinen 3 dat allen gezondigd hebben en tekort komen aan de heerlijkheid van God. Er is geen uitzondering, zegt de apostel dus, want allen hebben gezondigd. Maar hier is de grote uitzondering: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden. We zien hier, als we goed lezen, alle drie de Personen van de goddelijke Drie-eenheid bij elkaar.
God de Vader spreekt vanuit de hemel. De Zoon, Die Mens geworden is, en zojuist gedoopt is. En de Geest van God, Die in de gedaante van een duif neerdaalt uit de hemel en op de Heere Jezus blijft rusten. Dat is het duidelijke bewijs van de goedkeuring van de hemel, van het welbehagen van God, dat de Geest van God neerdaalde vanuit de hemel en op Christus bleef rusten.
We kunnen in dit verband ook denken aan het oordeel van de zondvloed en de figuur van Noach, die op een gereinigde aarde kwam (Gen. 8). De duif die werd uitgelaten uit de ark vond geen rustplaats voor het hol van haar voet, totdat de aarde was opgedroogd. En toen kwamen eigenlijk alle bewijzen dat het oordeel van God verdwenen was en dat God in welbehagen op Noach neerzag, vooral dankzij de liefelijke reuk van het brandoffer op het altaar dat Noach had gebouwd.
Zo zien we hier in Mattheüs 3 een Mens in Wie God Zijn welbehagen vindt, op Wie niets is aan te merken. Hij is volkomen rein, vlekkeloos, heilig, en de Geest van God kan op Hem rusten. Zo is de Heere Jezus gezalfd met de Geest, en in de kracht van de Geest werd Hij toegerust voor de dienst die Hij moest verrichten onder het volk. En hoe heeft de Heere Jezus dat gedaan? Hoe heeft Hij Zijn werk vervuld tot eer van God?
Hoe kunnen wij ons leven aan Hem toewijden?
We mogen dat ook op onszelf toepassen, hoewel Hij alleen in alles volmaakt was. Hoe kunnen wij, als wij eenmaal de Heer kennen en Hem toebehoren en de Heilige Geest hebben ontvangen, ons leven aan Hem toewijden? Hoe kunnen wij dat doen en tot Gods welbehagen hier beneden leven als kinderen van God?

Welnu, dat is eigenlijk eenvoudig. De vraag is: Zijn wij bereid om de Heer te dienen? Zijn wij bereid om te doen wat Hij van ons vraagt? De Heere Jezus was de trouwe Knecht van God, de ware Dienaar, de Knecht van de Heere. Hij was bereid om alles te doen wat God van Hem vroeg; en we lezen in de profetieën over de Knecht van de Heere, dat Hij elke morgen als het ware wachtte op het Woord van God. Hij zette Zich neer als een Leerling, om te luisteren naar wat God tegen Hem zou zeggen: ‘Hij wekt Mij elke morgen, Hij wekt Mij het oor, zodat Ik hoor als zij die onderwijs ontvangen’ (Jes. 50:4).
In het volgende deel (9b) gaan we verder met: Zie, Mijn Knecht.
Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.
Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is zijn en ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.
