19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament
Ik heb u bij uw naam geroepen (deel 2)
Vier bijzondere roepingen in het Oude Testament
Jakob, Jakob
De tweede keer dat iemands naam tweemaal wordt genoemd, als de Heere hem roept, vinden we in Genesis 46: ‘Israël brak op met alles wat hij had, en hij kwam in Berseba; daar bracht hij offers aan de God van zijn vader Izak. En God sprak ’s nachts tot Israël door visioenen en zei: Jakob! Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik. En Hij zei: Ik ben God, de God van uw vader; wees niet bevreesd om naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal met u meetrekken naar Egypte en Ik zal u ook zeker doen terugkeren; en Jozef zal uw ogen sluiten. Toen stond Jakob op en vertrok uit Berseba, en de zonen van Israël vervoerden hun vader Jakob, hun kleine kinderen en hun vrouwen op de wagens die de farao gestuurd had om hem te vervoeren’ (Gen. 46:1-5).
Opnieuw hebben we hier die dubbele roepstem van God: Jakob, Jakob. Hij was al eerder persoonlijk geroepen door de Heere in een droom; en hij had toen al een veelbewogen leven achter de rug. In Genesis 28 lezen we over de roeping van Jakob, toen hij in een droom de ladder zag, waarvan de top de hemel raakte. Toen werd hij voor het eerst door God geroepen, maar ook later toen hij twintig jaar lang had moeten werken voor Laban, zijn schoonvader. Want toen klonk ook de stem van de Heere, Die tot hem sprak. Op een gegeven moment riep de Heere hem om terug te gaan naar Bethel, de plaats waar Hij aan hem verschenen was in het begin (Gen. 35:1).
Jakob kende zijn God, hij kende, om zo te zeggen, de stem van de Meester. En hij had een moeilijk leven achter de rug doordat Jozef, zijn lievelingszoon, hem ontnomen was. Hij dacht dat Jozef dood was. We kennen allemaal de hoofdstukken in Genesis waarin de broers van Jozef door de hongersnood worden gedwongen naar Egypte te trekken, terwijl Jozef daar onderkoning is geworden. Het zijn aangrijpende hoofdstukken, en dan wordt uiteindelijk duidelijk dat Jozef nog leeft, dat hij zelfs onderkoning is van Egypte. Als Jakob dit hoort, kan hij het eerst niet geloven. Het was ook zo onwaarschijnlijk. Maar als hij alle bewijzen ziet van het feit dat Jozef inderdaad nog in leven is, en als hij al de woorden hoort die Jozef laat overbrengen, en de wagens ziet die Jozef had gezonden om zijn oude vader te vervoeren, dan leeft de geest van vader Jakob op. Dan zegt hij aan het slot van Genesis 45: ‘Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog! Ik zal gaan, ik wil hem zien voordat ik sterf’ (vs. 28).
Een prachtige en heerlijke boodschap is dat: Jozef leeft nog! Zo is dat ook met ons als we het toepassen op de Heere Jezus: Jezus leeft nog! Jezus leeft, Hij overwon! Hij is de Overwinnaar van dood en graf. De zoon van Jakob die dood gewaand werd, bleek nog te leven. Wij als gelovigen weten dat we een levende Heer en Heiland hebben, want Jezus leeft nog. Dan komt hier die roeping van God, die eerst al via Jozef tot Jakob was gekomen: de uitnodiging om naar Egypte te trekken en daar door Jozef verzorgd te worden. Maar dit was niet gering voor Jakob, want we lezen als hij voor de farao staat, dat hij al 130 jaar oud is (Gen. 47:9). Hij zegt: ‘Het aantal van de jaren van mijn vreemdelingschap is honderddertig jaar. Weinig in getal en vol kwaad zijn mijn levensjaren geweest’.

Het was dus niet eenvoudig voor hem nu zo’n lange reis te ondernemen en opnieuw een grote verandering in zijn leven mee te maken. Want Jakob was al oud. Daarom verscheen de Heere aan hem om hem te bemoedigen. ‘Israël brak op met alles wat hij had en hij kwam in Berseba; daar bracht hij offers aan de God van zijn vader Izak’ (Gen. 46:1). Toen sprak de Heere tegen hem door visioenen en zei: Jakob! Jakob! Tweemaal klonk zijn naam: dat is een roeping waarnaar je wel moet luisteren, een roeping met nadruk. Het zou fijn zijn als we ook voor onszelf die roepstem herkennen, als de Heere duidelijk iets aan ons toevertrouwt en ons een opdracht geeft. Jakob, Jakob! En hij was bereid: ‘Zie, hier ben ik’ (vs. 2).
Het zijn dezelfde woorden, die Abraham had gesproken: Zie, hier ben ik! Jakob was ook bereidwillig om te gaan. En de Heere ging met hem mee. Als de Meester roept en Hij met ons is, dan kunnen we doen wat Hij ons opdraagt, zelfs al zijn we innerlijk bang om te doen wat Hij vraagt. ‘Ik ben God, de God van uw vader; wees niet bevreesd om naar Egypte te trekken’ (vs. 3). Wees niet bang, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal met u meetrekken naar Egypte en Ik zal u ook zeker doen terugkeren (vs. 4). De Heiland is met ons, en Hij gaat met ons mee: ‘Met U zet ik door niets gestoord, in de woestijn mijn wandel voort’.
En Jakob ging weer op reis. Hij mocht zijn weg met de Heere voortzetten, en Hij ging met hem mee. Jakob hoefde niet bang te zijn. De Heere had Zijn plan met het nageslacht van de aartsvader. Het zou tot een groot volk worden in Egypte, en op Gods tijd – na vierhonderd jaar – zou God Zijn volk uitleiden en terugbrengen naar het beloofde land, het land Kanaän, en dit hun ten erfdeel geven. Abraham was een oude man, zo’n honderdvijftien jaar; en Jakob was een oude man van honderddertig jaar. Toch werden zij beiden door de Heere geroepen.
Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.
Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is zijn en ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.
