19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament
Ik heb u bij uw naam geroepen (deel 1)
Vier bijzondere roepingen in het Oude Testament
Inleiding
Het komt wel vaker voor dat de Heere iemand roept, we vinden dat zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Denken we maar aan het voorbeeld van Maria, die de voeten van de Heer zalfde met dure nardusbalsem. Zodra Maria hoorde dat de Heer haar riep, gaf ze gevolg aan Zijn roepstem. Toen zij dit hoorde, stond zij snel op en ging naar Hem toe (Joh. 11:28).
Dit geldt in allerlei situaties van ons leven. Als we de Heer nog niet kennen en door de Heer geroepen worden, dan mogen wij Zijn stem leren verstaan, als Hij door Zijn Woord aan ons hart en ons geweten werkt en wij overtuigd worden van onze zondige toestand.. Dan roept Hij ons door Zijn Woord en door de Heilige Geest en hierdoor worden wij opnieuw geboren, geboren uit water en Geest (Joh. 3). Dat is de roeping van de Heer, de roeping van een zondaar, de uitnodiging om tot Christus te komen en het eeuwig leven te ontvangen in Zijn naam.
Maar er is ook een roeping voor ons dagelijks werk, onze dagelijkse omstandigheden. De apostel Paulus schrijft in 1 Korinthiërs 7 dat iedereen moet blijven in de situatie waarin hij door de Heer is geroepen, toen hij of zij tot geloof kwam (vs. 20). Er is een natuurlijke roeping, zou je kunnen zeggen, maar er is ook een geestelijke roeping als de Heer ons een dienst toevertrouwt. Hij is de Meester, Hij is de Heer van ons leven. Wij mogen Hem volgen zonder vragen, overal waar de Meester gaat en staat. Maar ieder van ons heeft eigenlijk zo’n geestelijke roeping van de Heer ontvangen, en vaak kost het tijd voordat je weet welke taak de Heer je heeft toevertrouwd. Dat mogen we ontdekken in het leven met Hem, in de gemeenschap met Hem.
Paulus was een geroepen apostel en dat was natuurlijk iets bijzonders (1 Kor. 1:1), maar ik denk dat ieder van ons geroepen is tot een bepaalde dienst voor de Heer, een opdracht van Hem. En dan is het belangrijk om te beseffen, zoals dit vers in Johannes 11 zegt: ‘De Meester is daar en Hij roept u’. Het gaat niet om een roeping door mensen, maar door Hem, door de Meester. Als Hij ons roept, dan zal Hij ons ook de kracht geven om de taak te vervullen die Hij ons geeft. Dan voorziet Hij ook in alles wat nodig is om die roeping te vervullen. De reactie van Maria was mooi om te zien, ze stond snel op. Ze aarzelde niet, toen ze die boodschap hoorde: De Meester is daar en Hij roept u. Ze stond snel op en ging naar Hem toe, in gehoorzaamheid aan Zijn roepstem.
Abraham, Abraham
Dit is slechts een illustratie van wat ik zou willen zeggen aan de hand van enkele voorbeelden in het Oude Testament, waar mensen door God worden geroepen. Ze worden namelijk met nadruk geroepen, doordat God hun naam herhaalt. Het eerste gedeelte is in Genesis 22, en we kunnen het woord ‘De Meester is daar en Hij roept u’ dus als motto gebruiken voor de gedeelten die we hopen te lezen en te overdenken.
Genesis 22 is een bekend gedeelte, dat handelt over het offer van Izak. Abraham en Izak kwamen op de plaats die God hem genoemd had, de berg Moria, de latere tempelberg. Abraham bouwde daar een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Izak en legde hem op het altaar, boven op het hout. Toen strekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten. Maar de Engel van de Heere riep hem toe vanuit de hemel en zei: Abraham, Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik.
Het is bijzonder als de Heer je naam twee keer noemt; en dat vinden we dus op vier verschillende plaatsen in het Oude Testament dat dit gebeurt. Als de Heer tweemaal roept, dan is het zeker van belang te luisteren naar Zijn stem en gehoorzaam te zijn. Abraham was gehoorzaam geweest aan de stem van de Heere God en had zijn zoon, zijn enige, die hij liefhad, Izak, meegenomen naar het land Moria. Hij was bereid hem aan God terug te geven, aan God af te staan. Daarom mogen we niet gering denken over dit offer dat Abraham wilde brengen, toen hij op de proef gesteld werd door God.
Abraham had heel lang moeten wachten op de geboorte van Izak. We lezen in Genesis 12 dat Abraham vijfenzeventig jaar oud was, toen hij uit Haran trok op weg naar het land Kanaän, het beloofde land. Maar Izak is geboren toen Abraham honderd jaar oud was. Hij heeft dus heel lang op de geboorte van de erfgenaam moeten wachten. En hier in Genesis 22 zijn we weer zeker vijftien jaar verder, want we moeten ons niet voorstellen dat Izak een kleine jongen is geweest. Hij zal vast een jongeman zijn geweest, hij ging ook vrijwillig mee met zijn vader Abraham en praatte met hem. Dat is een geweldige opgave geweest voor Abraham, om op Gods bevel zijn zoon te gaan offeren, de erfgenaam in wie eigenlijk al Gods beloften berustten. ‘Uw zoon, uw enige die u liefhebt’. Ga naar het land Moria en offer hem daar tot een brandoffer op één van de bergen, die Ik u noemen zal.

Abraham is hier geweldig beproefd om het kostbaarste wat hij had aan de Heere terug te geven en aan Hem op te offeren. Dat kunnen denk ik alleen mensen zich goed inleven, die zelf kinderen hebben. Wat zou het voor u zijn om uw kind af te staan aan de Heere God, en dan in het bijzonder als het uw enige kind zou zijn? Toch is het zo dat de Heere recht heeft op het leven van eenieder van ons; en wat Hij doet, is goed. De Meester is daar en Hij roept u! Toen Abraham werd geroepen dit grote offer te brengen, was dit ook een onderdeel van het plan van God.
Wij weten dat Abraham heeft overwogen dat de Heere God machtig was om Izak weer uit de dood te doen opstaan en hem weer levend terug te geven – nadat Abraham hem geofferd zou hebben. Bij gelijkenis, bij wijze van spreken, zegt de Hebreeënbrief, heeft hij hem ook weer teruggekregen uit de dood (Hebr. 11:17-19).
Dit is natuurlijk een geweldige illustratie van het offer van de Heere Jezus, het offer van de Zoon van God. Hoe vaak hebben we daar als gelovigen ook niet met elkaar over nagedacht, als we persoonlijk dit hoofdstuk hebben gelezen of het gemeenschappelijk hebben overdacht. En telkens weer zijn we weer onder de indruk gekomen van dit geweldige offer dat de Vader heeft gebracht, van Wie Abraham hier een type is, het offer van Zijn enige geliefde Zoon. Het offer van Izak spreekt van het offer van onze Heer en Heiland, Die daadwerkelijk is teruggekeerd vanuit de dood. Hij is opgestaan in eigen kracht, en ook opgewekt door de heerlijkheid van God de Vader, zoals Romeinen 6:4 zegt. Dit grote wonder is gebeurd: de Zoon Die was overgegeven in de dood, is weer verrezen. Hij is verklaard als Gods Zoon in kracht, want ook in Zijn eigen goddelijke kracht is Hij opgestaan vanuit de dood.
Voor Abraham was het niet nodig om zijn zoon daadwerkelijk op het altaar te offeren, maar hij was bijna zover en het was nodig om zijn bereidheid te testen. Opeens klonk daar die stem: ‘Abraham, Abraham’, terwijl hij bij het altaar stond en gereed was om met het mes zijn zoon te slachten; en Izak daarop gebonden lag. Opnieuw toonde Abraham zijn gehoorzaamheid en zei: ‘Zie, hier ben ik’ (Gen. 22:11). Als God ons roept, moeten we te allen tijde bereid zijn te luisteren naar Zijn stem. Ook aan het begin van dit hoofdstuk had hij het al gezegd: ‘Zie, hier ben ik’ (vs. 1).
Abraham was dus weer gehoorzaam aan de stem van de Heere God. En de Engel van de Heere zei: ‘Steek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat u godvrezend bent en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt’. Abraham hoefde dit ultieme offer niet te brengen. De Engel van de Heere trad tussenbeide en riep hem toe: Abraham, Abraham! Dit is niet nodig. Want nu weet Ik dat je bereid bent om zelfs de zoon, die je zo liefhebt, die het vat is van alle beloften, aan Mij af te staan. Je hebt zelfs je erfgenaam niet aan Mij onthouden. En toen was daar een plaatsvervangend offer, een ram die vast zat in het struikgewas.
Hoe vaak hebben we niet eraan gedacht dat er voor de Heere Jezus geen plaatsvervanger was. Hij moest wel het offer van Zijn leven brengen. Deze dubbele roepstem illustreert dus dat we altijd gehoorzaam moeten zijn aan de stem van God. En dat we bereid moeten zijn om – als Hij dat vraagt – een geweldig offer te brengen, het liefste dat we hebben, het beste dat we bezitten. Eigenlijk alles wat we bezitten, want het is niet van onszelf. Het is allemaal van God, en als Hij het vraagt, moeten wij het op het altaar brengen en Hem gewillig aanbieden.
Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.
Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is zijn en ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.
