19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament
Koning Salomo en de koningin van Sjeba
1 Koningen 10:1-13; 18-20; Hebreeën 10:19-22
Vrijmoedigheid om in te gaan
We hebben gezongen over de naam van de Heere Jezus. Zijn naam drukt uit wie Hij is, Zijn heerlijkheid, Zijn glorie, Zijn majesteit. In die naam hebben wij als gelovigen een volheid van zegen gevonden, alles wat we nodig hebben voor onze noden en behoeften. We mogen telkens bij Hem komen, in Zijn tegenwoordigheid naderen en Hem vragen wat ons ontbreekt:
‘Jezus-naam’, wie kan doorgronden al Uw diepte en hoogte, wie?
Onnaspeurlijk blijft die Naam in Zijn glans en rijkdom saâm.
We hebben ook eraan gedacht dat wij als gelovigen nu vrije toegang tot God hebben. Niet alleen vrije toegang tot de troon van de genade, om met onze gebeden en smekingen binnen te gaan in het heiligdom, maar ook met onze aanbidding wanneer wij de Heere Jezus gedenken in Zijn lijden en sterven. We mogen dan binnenkomen in het heiligdom om priesterdienst te verrichten, want we hebben als kinderen van God toegang tot Hem. Er is volle vrijmoedigheid om te naderen. Voor het heiligdom van God staat geen bordje: ‘Verboden toegang’. Maar er staat: Vrije toegang voor allen die de Heere Jezus kennen en toebehoren.

Wij zijn door Zijn werk en door de kracht van Zijn bloed apart gezet en geschikt gemaakt om Gods heiligdom binnen te gaan. We mogen langs de nieuwe en levende weg, door het voorhangsel heen, naar binnen gaan. Dit voorhangsel spreekt van het vlees – de mensheid – van de Heere Jezus en Zijn offerdood. Het voorhangsel is gescheurd van boven naar beneden. Zo is er ook een einde gekomen aan het leven van de Heere Jezus hier op aarde, Zijn bestaan in het vlees. Dat is afgebroken, daar is plotseling een einde aan gekomen. Zijn leven is afgesneden, lezen we in de profeet Jesaja (Jes. 53:8).
Maar Hij is niet alleen gestorven voor onze zonden en overgegeven om onze overtredingen, Hij is ook opgewekt om onze rechtvaardiging (Rom. 4:25). Wij hebben een levende Heere in de hemel, een grote Priester over het huis van God (Hebr. 10:21). Dat is de Heere Jezus, Die aan het hoofd staat van een hemelse familie, een groot gezelschap van priesters die in het heiligdom mogen gaan. Hij is ook de Bedienaar van dit heiligdom en van de ware tabernakel, zo lezen we in deze brief (Hebr. 8:1-2). Hij geeft leiding aan de aanbidding, de eredienst, de priesterdienst. We hebben een grote Priester over het huis van God.
Laten wij naderen
Daarom vinden we hier de oproep in de brief aan de Hebreeën om te naderen, om toe te treden in volle zekerheid van het geloof (Hebr. 10:22). Want wij zijn als gelovigen gereinigd en geheiligd, volkomen geschikt gemaakt om als priesters het heiligdom te betreden.

We weten allemaal dat het heiligdom, de tabernakel, in drie delen was verdeeld. Eerst kwam men in de voorhof, die omgeven was door witte gordijnen en die een grote toegangspoort had. Hier stonden het koperen brandofferaltaar en het koperen wasvat. Nadat de priesters hun handen en voeten hadden gewassen, mochten ze hun werk gaan doen bij het brandofferaltaar of de tent van ontmoeting binnengaan om daar dienst te doen. Maar er was ook een tweede vertrek, het heilige der heiligen, dat was afgesloten door het voorhangsel – en waar uitsluitend de hogepriester toegang had, slechts eenmaal per jaar, en wel op de Grote Verzoendag.
Wij mogen als gelovigen nu ook in het binnenste heiligdom komen om priesterdienst te verrichten. We weten dat in dit tweede heiligdom de troon van God stond. Dit was de troonzaal; hier troonde God boven de cherubs, de engelenfiguren die boven het verzoendeksel waren bevestigd. Voor ons is dat misschien een tegenstrijdige gedachte, want we weten toch dat we kinderen van God zijn, dat de Vader ons liefheeft? En als kinderen van God zijn wij aan het hart van de Vader gebracht, de plaats van nabijheid, van intimiteit, dicht aan Zijn hart. Het lijkt dan een beetje tegenstrijdig om ook te denken aan een troonzaal, aan God als gezeten op Zijn verheven troon. Wij mogen vol eerbied dichtbij Hem komen met onze aanbidding als priesters, bekleed met die prachtige witte priestergewaden.
Het nieuwe, hemelse heiligdom
Maar het zijn natuurlijk allemaal beelden van de nieuwtestamentische werkelijkheid; en die is zo rijk en zo heerlijk, dat alle beelden nu hun vervulling hebben gevonden in het nieuwe, hemelse heiligdom. Het is niet alleen priesterdienst voor God, die we mogen verrichten. We mogen ons ook verheugen in de nabijheid van de Vader, evenals de verloren zoon werd teruggebracht aan het hart van de vader. We mogen feestvieren (Luk. 15), en we mogen de Vader aanbidden in geest en in waarheid (Joh. 4). Al die dingen hebben nu hun plek gekregen in het leven van de christen. Want als u een gelovige bent, dan bent u een aanbidder, dan bent u een priester. Dan mag u het heiligdom binnengaan, dan mag u naderen in die troonzaal.
Wij zien een type hiervan in de geschiedenis die we hebben gelezen in 1 Koningen 10. Het
gaat om het bezoek aan koning Salomo door de koningin van Scheba – oftewel Seba of Sjeba, zoals het in nieuwere vertalingen luidt. Dit land komt ruwweg overeen met het huidige Jemen en was een koninkrijk dat handelde in luxe goederen uit Oost-Afrika en India. De koningin van Sjeba had geruchten gehoord over koning Salomo in Israël, en wel in verband met de Naam van de Heere (1 Kon. 10:1). Want David en Salomo waren koningen die regeerden bij de gratie, de gunst van God. Ze hadden plaatsgenomen op de troon van de Heere te Jeruzalem en hun koninklijke macht hield verband met de Naam van de Heere God. Eigenlijk hadden ze al hun glorie te danken aan de Heere, Die Israël had verkoren en Die David had verkoren om te regeren over Zijn volk – en na hem koning Salomo.
Maar de heerlijkheid van de Naam van de Heere straalde af op deze beide koningen, in het bijzonder op koning Salomo, die bekleed was met grote macht en luister. Die heerlijkheid straalde echter ook af op al de dienaren van koning Salomo, dat hele gezelschap dat hem omringde. Zo is dat ook met ons: alles wat wij ontvangen hebben aan geestelijke rijkdom, aan hemelse zegen, dat hebben wij te danken aan de Naam van de Heere Jezus. Onnaspeurlijk blijft die Naam in Zijn glans en rijkdom samen. De koningin van Sjeba kwam met al haar vragen bij koning Salomo. Wij hebben gezongen: ‘Moet ik vragend hier vaak gaan, boven zal ik ‘t eens verstaan’. Dat is ook zo. We krijgen op aarde niet altijd antwoord op onze vragen en problemen. Maar toch, als we naar de Heere toegaan en in het gebed bij Hem komen, dan mogen wij alles aan Hem voorleggen wat ons bezighoudt.

De koningin van Sjeba kwam met moeilijke vragen, met raadsels. Wij mogen ook alles bij de Heere Jezus brengen. De dingen die we niet begrijpen, de raadsels van het leven. Het is goed om het aan Hem voor te leggen in het gebed: wat onoplosbaar voor ons is, wat we niet begrijpen, onze moeilijkheden en zorgen. Deze koningin kwam ook bij Salomo met de rijkdom die ze bezat, haar heerlijkheid en majesteit, om hem geschenken te brengen. Toen zij bij Salomo was gekomen, sprak zij met hem over alles wat haar bezighield, alle vragen die zij op haar hart had. En niets was te moeilijk voor de koning, geen vraagstuk was te diepzinnig om voor haar op te lossen.
Is dat niet heerlijk, als wij in Salomo een beeld zien van de Heere Jezus: dat wij nu bij Hem mogen komen en dat wij vrij mogen naderen? Zeker, Hij is die verheven Heere, Die bekleed is met macht en majesteit, gekroond met eer en heerlijkheid. We hebben iets gelezen over de indrukwekkende troon waarop koning Salomo gezeten was, en zo is de Heere Jezus nu in het hemelse heiligdom met eer en heerlijkheid gekroond. Hij is bekleed met majesteit, en de heerlijkheid van God straalt van Hem af. Toch mogen wij naderen, wij mogen dichtbij komen. Dat is het wonder van de genade, en dit geldt voor iedere ware gelovige. Wij hebben vrije toegang tot de troon van God, die voor ons geen troon van oordeel meer is, maar een genadetroon (Hebr. 4:16). Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot deze troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.
De wijsheid van Salomo
Toen de koningin van Sjeba bij Salomo op bezoek kwam met haar gevolg, wat was toen het eerste wat ze zag? Het was al zijn wijsheid (1 Kon. 10:4). In het Nieuwe Testament lezen we dat alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn in Christus (Kol. 2:3). Dus als we wijsheid zoeken, als we inzicht begeren, dan moeten we bij de Heere Jezus zijn. Hij is zowel de kracht als de wijsheid van God (1 Kor. 1:24). Dat Hij is de kracht van God is, bleek toen Hij is opgestaan uit de doden. Maar Hij is ook de wijsheid van God in eigen Persoon, en die is net zo goed aan het licht getreden door kruis en opstanding. Alle wijsheid van God is bij Hem te vinden en Hij is Zelf de uitdrukking ervan, de volle openbaring van Gods verborgen wijsheid. Dat lezen we in 1 Korinthiërs 2.

Is dat niet wonderlijk? De Heere Jezus is als Mens neergedaald uit de hemel. Hij is gestorven, begraven en opgestaan uit de doden, Hij is ook teruggekeerd naar de hemel. Het is bijzonder dat in de verhoogde Heere nu alle schatten van wijsheid en kennis te vinden zijn, en dat Hij antwoord heeft op al onze vragen. En is het niet heerlijk dat wij naar Hem toe mogen gaan met alles wat ons bezighoudt? Al de wijsheid van Salomo wordt nog overtroffen door de wijsheid van Christus.
Het huis dat Salomo had gebouwd
Het tweede wat de koningin zag, was het huis dat Salomo had gebouwd; en daarmee wordt de tempel bedoeld. Welnu, dat kunnen we ook toepassen op onze tijd. Er is een huis van God hier op aarde, een huis dat door de Heere Jezus wordt gebouwd. ‘Op deze rots’, zegt Hij, ‘zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen’ (Matt. 16:18). De Heere Jezus Zelf is de Hoeksteen. Er is ook een goed fundament gelegd door de apostelen (1 Kor. 3; Ef. 2:18-22).
Het huis dat de Heere Jezus begon te bouwen, wordt nu voltooid door de Heilige Geest. Het is een geestelijk huis, een heilige tempel in de Heer. Wij hebben als gelovigen de verantwoordelijkheid mee te bouwen aan dit huis van God. Wij moeten wel op het goede fundament bouwen; en 1 Korinthiërs 3 laat zien dat de bouwers tekort schieten, dat ze soms verkeerd bouwen en ook verkeerde materialen gebruiken.
Maar als we het van de kant van God bezien, dan is het huis dat de Heere bouwt compleet en perfect. Dan bestaat het uit grote en kostbare stenen, zoals we dat bij de tempelbouw vinden. Dat geldt ook voor ons, want als levende stenen heeft de Heere ons gebruikt om deel te vormen van Zijn huis (1 Petr. 2). Zijn we hiervan onder de indruk, wanneer wij als gemeente samenkomen? Wanneer we iets weten van de geschiedenis van de gemeente en ook van onze eigen geschiedenis, dan hebben we soms twijfels over de bouw van dat huis. Maar toch, als we denken aan het huis dat God bouwt, dan is dat volmaakt in Christus. Wij mogen toch ervan onder de indruk zijn en onszelf afvragen: Zijn wij goed bezig als bouwlieden? Beantwoorden wij aan onze verantwoordelijkheid en bouwen wij volgens de wensen van de Heere, zodat anderen worden aangetrokken door de heerlijkheid van dat geestelijke huis?
Laten we ons troosten met de gedachte dat wat de Heere begonnen is te bouwen, Hij het ook zal voltooien. Zodat er bij Zijn komst een gemeente zal zijn, die stralend en zonder vlek of rimpel vóór Hem zal worden gesteld. Ze zal zonder gebrek zijn, bekleed met de heerlijkheid van de Heere Zelf. Wanneer de gemeente uit de hemel neerdaalt als het Nieuwe Jeruzalem, is zij bekleed met de heerlijkheid van God. Er is niets wat fout is, er is geen enkel gebrek te zien. Wij lezen daar in die beeldspraak van het boek Openbaring alleen over edelstenen, over goud en over parels, dus het moet geweldig zijn de gemeente straks in heerlijkheid te kunnen zien en hiervan deel uit te maken.
Het voedsel op zijn tafel
En dan het voedsel van zijn tafel, dat is ook zo’n geweldig onderwerp. Daarvan kunnen we eveneens onder de indruk komen, de spijzen van de tafel van de koning. We lezen daarover ook in de psalmen, denk maar aan Psalm 23: ‘U maakt voor mij de tafel gereed voor de ogen van mijn tegenstanders’ (vs. 5). Een tafel vol heerlijke gerechten, die de Heere voor ons aanricht.
We kunnen hierbij ook denken aan Mefiboseth, die aan de tafel van de koning mocht aanzitten en eten van de koninklijke spijzen (2 Sam. 9). Ja, de rijke tafel van de Heer! Hierbij hoeven we niet alleen te denken aan de tekenen van brood en wijn, maar aan alles wat Hij heeft toebereid aan geestelijk voedsel. Dat mogen we tot ons nemen, we mogen ervan genieten, zodat we gaan groeien in het geloof. We beginnen met de melk, de redelijke melk van het Woord van God, maar dan komt er vast voedsel bij, doordat we groeien in het geloof (Hebr. 5:11-14). Dit voedsel is geschikt voor volwassen gelovigen. Hij heeft de spijzen van Zijn tafel allemaal voor ons klaarstaan.
Het zitten en staan van zijn dienaren
Het zitten of aanzitten van Zijn dienaren, dat is het vierde punt. De koningin kwam daarvan onder de indruk, toen ze zag hoe dat hele gezelschap van de dienaren van de koning daar gezeten was in zijn tegenwoordigheid. Als we denken aan het zitten, kent u misschien wel het boekje van Watchman Nee, getiteld ‘Zitten, wandelen, standhouden’, dat de brief aan de Efeziërs behandelt. Het begint met dat ‘zitten’. Wij zijn namelijk gezet in de hemelse gewesten in Christus. Wat een plaats is dat, wat een voorrecht! Dat is zeker een waarheid waarvan men onder de indruk moet komen.
Het volgende is het staan van Zijn bedienden. Natuurlijk, in het gezelschap van de koning kun je niet alleen zitten; er zijn mensen die klaarstaan om te bedienen. Maar het is met ons ook zo dat we mogen staan in de dienst van de Heere. Kunnen we zeggen, zoals Elia destijds tegen koning Achab zei – het is maar een paar hoofdstukken verder in dit boek: ‘Zo waar de Heere, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta’ (1 Kon. 17:1).
Staan wij ook in de dienst van de Heere? Kunnen we spreken namens Hem en Zijn gedachten vertolken? Kunnen we die doorgeven, als we gebracht zijn in de tegenwoordigheid van de Heere Jezus? En dat geldt dus voor iedere ware gelovige, die de toegang heeft tot de tegenwoordigheid van de Heere, die om zo te zeggen mag binnenkomen in die troonzaal. Staan we daar dan om de Heere te dienen, en gaan we vanuit Zijn tegenwoordigheid weer naar buiten? Gaan we straks naar huis, en kunnen we dan iets doorgeven namens de Heere? Kunnen we de heerlijkheid van Zijn Naam openbaren, de heerlijkheid van Zijn Persoon?
Hun kleding
En dan ‘hun kleding’. We hebben al even gedacht aan de prachtige witte priesterkleren. Hoe ziet de kleding van de dienstknechten van de koning eruit? Het gaat er niet om dat je een mooi kostuum aan hebt, maar om wat laat je zien in je leven van Hem! Wat is onze levensopenbaring: daarvan spreekt de kleding. En als we bekleed zijn met het beste kleed, dan hebben we eigenlijk niets meer te wensen.

Onze kleding. Hij heeft mij bekleed met de klederen van het heil, zegt de profeet (Jes. 61:10). Daar begint het mee, als je christen geworden bent. Maar we mogen dus ook denken aan het prachtige priesterkleed, het witte kleed, en het beste kleed dat de vader gaf aan zijn zoon. Heerlijk om te denken aan de kleding die we van de Heere hebben ontvangen. Zijn we daarvan ook onder de indruk, zoals de koningin van Sjeba?
Zijn schenkers en zijn brandoffers
Dit is ook iets om over na te denken. Niet alleen is er voedsel te vinden in de nabijheid van de Heere, maar er is ook voldoende drinken. ‘Mijn beker vloeit over’, zo zegt David (Ps. 23:5). Zo zijn er meer psalmen die spreken over alles wat we vinden aan spijs en drank in de tegenwoordigheid van de Heere. Psalm 65 zegt: ‘Welzalig is hij die U verkiest en doet naderen, die mag wonen in Uw voorhoven; wij worden verzadigd met het goede van Uw huis, met het heilige van Uw paleis (Ps. 65:5). Voedsel en drinken, dat was ook beschikbaar voor de priesters in het heiligdom. En wij genieten ook hiervan als gelovigen, als broeders en zusters, telkens opnieuw.
Ten slotte de brandoffers, die Salomo gewend was in het huis van de Heere te brengen. Dat was het laatste wat de koningin van Sjeba opmerkte en waarvan ze zo onder de indruk kwam: de dagelijkse brandoffers die in het huis van de Heere werden gebracht. Het moet prachtig geweest zijn om dat te zien, indrukwekkend: al die offers die op het altaar werden gebracht en waarvan de reuk opsteeg naar God in de hemel. De koningin van Sjeba kwam onder de indruk van deze offeranden.

Zo mogen wij telkens onder de indruk komen van het ware brandoffer, dat geofferd is op het kruis van Golgotha. Wij mogen als gelovigen telkens weer met onze offers van lof en dank bij God komen en die aan Hem aanbieden op Zijn altaar, op Zijn tafel. Brandoffers – dat is dus ook iets om van onder de indruk te komen. Alle offeranden spreken van de heerlijkheid van de Heere Jezus, de grootheid van Zijn Naam. ‘Onnaspeurlijk blijft die Naam, in Zijn glans en rijkdom saâm’. Dat is met name zo als we denken aan het brandoffer, dat spreekt van de overgave van de Heere Jezus en Zijn volkomen toewijding aan God tot in de dood. Alles aan Hem was liefelijk en aangenaam voor God.
Deze vrouw was buiten zichzelf, toen ze al die dingen zag. Ze wist niet hoe ze het had. Ze was overweldigd door de heerlijkheid van koning Salomo en de hele entourage van de koning, alles wat er om hem heen gebeurde. Voor de mensen van de wereld is het geloof niet zo aantrekkelijk, daarom lezen we ook over het dragen van de smaadheid van Christus. Maar als we eenmaal weten Wie Hij is en een persoonlijke ontmoeting met Hem hebben gehad, zoals hier deze vrouw onder de indruk van de wijsheid van Salomo was gekomen, dan verandert dat en gaan we het heerlijk vinden. Het is kostbaar wat we allemaal bij de Heere Jezus vinden. Dan krijgen wij waardering voor al Zijn rijkdommen, voor al de geestelijke zegeningen die bij Hem te vinden zijn en die wij door het geloof hebben ontvangen.
Profetische betekenis van deze ontmoeting
Wat hier gebeurt is in feite een voorproef van wat nog te komen staat in het heerlijke Vrederijk, als de Heere Jezus gezeten zal zijn op de troon van Zijn heerlijkheid en de volken zullen optrekken naar Jeruzalem en met geschenken zullen komen bij de Vredevorst, de ware Salomo. Maar we mogen het ook geestelijk op onszelf toepassen in deze tijd: ‘Het was de waarheid, wat ik in mijn land over uw woorden en over uw wijsheid gehoord heb. Maar ik geloofde die woorden niet, totdat ik kwam en mijn eigen ogen het zagen’.
Ja, we moeten zelf komen bij de Heere met al onze vragen, om onder de indruk te komen van Zijn wijsheid. ‘Zie, nog niet de helft was mij verteld. U hebt wat uw wijsheid en welstand betreft het gerucht dat ik gehoord had, overtroffen. Gelukkig zijn uw mannen, gelukkig deze dienaren van u, die voortdurend in uw dienst staan en uw wijsheid horen!’ Zijn wij gelukkige mensen, zijn wij gelukkige gelovigen? Kunnen we onze weg met blijdschap voortzetten en met blijdschap in de dienst van de Heer staan?
‘Gelukkig deze dienaren van u, die voortdurend in uw dienst staan en uw wijsheid horen!’ Zijn we bezig met de wijsheid van God, zoals we die vinden in de Heere Jezus en in het Woord van God. Luisteren we naar Zijn stem? ‘Geloofd zij de Heere, uw God, Die behagen in u heeft gehad, door u op de troon van Israël te zetten!’
Alle eer komt aan God toe, Die in feite de initiatiefnemer was van dit hele gebeuren, van deze prachtige regering, de heerschappij van de vrede. De koningin getuigde: ‘Die behagen in u heeft gehad door u op de troon van Israël te zetten! Omdat de Heere Israël voor eeuwig liefheeft, daarom heeft Hij u tot koning aangesteld, om recht en gerechtigheid te doen’. En dat geldt niet alleen voor rijke mensen, dat ze mogen profiteren van de rechtspraak van de Heere. Het gold ook niet alleen voor deze koningin.
Want de geschiedenis van Salomo begon in 1 Koningen 3 met een geval van rechtspraak in verband met twee slechte vrouwen in Israël. In die tijd kwamen twee vrouwen, twee hoeren bij de koning en zij stelden zich ook voor hem. Zij hadden ook toegang tot de koning, dat is wel iets bijzonders geweest. En zo mag in deze tijd iedereen tot de Heere Jezus gaan, ook met zijn zonden. ‘Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven’ (Matt. 11:28).
Maar er zijn ook gelovigen die rijk zijn en een hoge maatschappelijke positie innemen: zij mogen net zo goed bij Hem komen. Van deze koningin staat geschreven: ‘Zij gaf de koning honderdtwintig talent goud en zeer veel specerijen en edelstenen. Zo’n grote hoeveelheid specerijen als die de koningin van Sjeba aan koning Salomo gaf, is er nooit meer gekomen. Koning Salomo gaf de koningin van Sjeba overeenkomstig al haar wensen, alles waar zij om vroeg, nog meer dan wat Salomo haar al gegeven had, overeenkomstig het vermogen van de koning. Daarna keerde zij terug naar haar land, zij en haar dienaren’ (1 Kon. 10:10-13).
Zo keerde deze vrouw, overladen met rijkdom en met de antwoorden op al haar vragen, terug naar haar eigen land. Alles wat ze begeerde en vroeg kreeg ze van de koning, en hij gaf haar zelfs nog meer van zijn eigen rijkdom en bezit – zoals men dat van een koning mocht verwachten. Welnu, wij hebben ook een rijke Heer, een machtige Heiland; en wij mogen alles van Hem verwachten.
De troon van Salomo
Ik wil nog iets zeggen over die grote ivoren troon (1 Kon. 10:18-20). Ik vind dat een prachtig onderwerp, omdat het iets weergeeft van de majesteit van de Heere Jezus. Wij denken regelmatig aan de rechterstoel van Christus, en ik denk dat wij deze troon hiermee kunnen vergelijken. Want wij zullen allen gesteld worden voor de rechterstoel van Christus, om te ontvangen wat in het lichaam is gedaan (2 Kor. 5:10).
Maar – en dat is het wonderlijke van het geloof – wij mogen nu in de geest al ingaan in het heiligdom en die troonzaal betreden. Het zal niet alleen straks gebeuren, dat wij voor de rechterstoel worden gesteld. Wij hebben daar nu al een plek door het geloof, en wij mogen nu al onder de indruk komen van de majesteit van de Heere Jezus, van Zijn grootheid, Zijn rijkdom, Zijn heerlijkheid. Alle gezag is aan Hem gegeven, daarvan spreekt deze troon, die telkens een trede hoger reikte. De troon had zes treden en aan weerszijden stonden er twee leeuwen op elke trede. De leeuwen spreken van koninklijke macht, de leeuw is de koning van de dieren. Mogelijk waren er bij elkaar twaalf plus twee, dus veertien leeuwen op die troon bevestigd; dat moet bijzonder indrukwekkend zijn geweest.
Een grote ivoren troon, een heel hoge troon, overtrokken met zuiver goud. Dat moet verblindend geweest zijn in heerlijkheid. En het ging telkens een trede hoger, alsof het wil zeggen: de Heere Jezus is nu gesteld boven alle macht en heerschappij en alle naam die genoemd wordt. ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’, dat zei de Heere Jezus Zelf (Matt. 28:18). Zo heerlijk is Hij, zo groot. Zo verheven is Zijn naam, en Zijn Persoon. Aan Hem mogen wij ons toevertrouwen en op Hem mogen wij bouwen. Laat Hij dan ook al het gezag mogen hebben in ons leven, zodat zichtbaar is aan Wie wij toebehoren, en de mensen onderkennen dat Hij alles te zeggen heeft in ons leven.
Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.
Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is zijn en ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.
