19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament
Het leven van Gideon
Richteren 6:7-40
God regeert
We hebben in ons lied gedacht aan het koningschap van God, en het feit dat Hij regeert:
‘Lof zij de Heer, de almachtige Koning der ere!
Hij heerst met Zijn staf van de wieg tot het graf’.
Dat is ook juist, maar wij merken dit niet altijd zo duidelijk in de geschiedenis van de volken, in de wereldgeschiedenis. Wij kunnen ook dichter bij huis blijven, in ons eigen leven of in de geschiedenis van het volk van God. Er zijn altijd veel vragen in verband met de heerschappij van God, in verband met Zijn regering. Hoe doet God dat dan, en waarom doet Hij bepaalde dingen? Waarom laat Hij dit of dat toe? Dat begrijpen we niet altijd en wij weten niet altijd de redenen ervoor.
Dat kan ons zelfs tot twijfel of tot ongeloof brengen, zoals we het hier bij Gideon lezen, wanneer de Engel van de Heere aan hem verschijnt. We weten dat het volk van God – we zien dat in het boek Richteren – telkens van de Heere afweek. Het keerde Hem de rug toe en er was dan afval van de Heere; men gaf zich over aan de dienst van de afgoden. Wel laat God toe dat het gebeurt, en Hij stuurt dan een vijand om het volk te tuchtigen. Het volk van God wordt hier onderdrukt door Midian. Wanneer het in een hele moeilijke situatie wordt gebracht, gaan ze erover nadenken en dan stuurt God nog een profeet, voordat Hijzelf verschijnt aan Gideon (Richt. 6:7-10).
De profeet herinnert hen aan hun geschiedenis en de verlossing van Israël uit Egypte. ‘Ik heb u uit Egypte doen optrekken en u uit het slavenhuis geleid. En Ik heb u gered uit de hand van de Egyptenaren en uit de hand van ieder die u verdrukte. En Ik heb hen van voor uw ogen verdreven en hun land aan u gegeven’. Verder wordt hier gezegd: ‘En Ik zei tegen u: Ik ben de HEERE, uw God! Vrees de goden van de Amorieten niet, in wier land u woont. Maar u hebt niet naar Mijn stem willen luisteren’. Het was een profetische oproep om tot inkeer te komen en terug te keren tot de dienst van de Heere, tot Hem alleen.
Bekeerd van de afgoden
We weten dat de apostel Paulus aan de Thessalonicenzen schrijft dat zij zich van de afgoden hadden bekeerd, om de levende en waarachtige God te dienen (1 Thess. 1:9-10). Als we dan de levende en de waarachtige God dienen, is het eigenlijk onvoorstelbaar dat we dit allemaal zouden prijsgeven en zouden terugkeren tot de afgoden. We kunnen ons nauwelijks voorstellen dat dit gebeurt. Toch weten we dat er in de loop van de eeuwen ook veel afgoderij is binnengedrongen in de christenheid. In de eindtijd zal de afvallige kerk zelfs een woonplaats worden van allerlei vormen van afgoderij (Openb. 18:2).
Maar nu is het nog zo, dit geldt voor ieder die de Naam van de Heere aanroept: zodra er bekering is en terugkeer naar Hem, dan wil Hij ons opnieuw zegenen en ons Zijn gunst bewijzen. Maar dan moeten we wel radicaal breken met de invloed van de afgoden, die er misschien ook in ons leven zijn. Dat blijkt hier in deze geschiedenis; en we zien het bijvoorbeeld ook in het leven van Jakob, als de Heere hem oproept terug te keren naar Bethel, de woonplaats van God. We weten dat dit plaatsvond na allerlei gebeurtenissen in het leven van Jakob, na vele problemen. Maar op een gegeven moment zei de Heere tegen hem: Ga nu, trek op naar Bethel en bouw daar een altaar voor Mij (Gen. 35:1).
Jakob wist echter dat het niet in orde was in zijn huis, dat daar ook afgoden waren. We weten bijvoorbeeld dat Rachel de terafim, de afgodsbeeldjes van haar vader had meegenomen, toen ze Paddam-Aram verlieten om terug te gaan naar Kanaän. Daarom zegt Jakob: ‘Doe de vreemde goden die in uw midden zijn, van u weg’ (Gen. 35:2). Er werd radicaal een einde gemaakt aan die vreemde goden: ze werden begraven.
We zouden misschien kunnen denken: Wat hebben wij daarmee te maken, want wij kennen toch de Heer? We dienen Hem, we hebben geen afgoden. Maar waarom zou de apostel Johannes dan schrijven aan het slot van zijn eerste brief: ‘Kinderen, wacht u voor de afgoden’ (1 Joh. 5:21). Horen wij daar niet bij, en zouden wij dit gevaar niet lopen? Pas op voor de afgoden! Want ook de apostel Paulus zegt: ‘Daarom, mijn geliefden, ontvlucht de afgodendienst’ (1 Kor. 10:14). Het zal toch niet voor niets zijn, dat de apostelen hiervoor hebben gewaarschuwd.

In de brief aan de Kolossenzen is er ook sprake van de misleiding van afgodische machten, van wereldse elementen (Kol. 2). Dat zijn dingen die we moeten afleggen, evenals engelenverering, boze begeerten en de ‘hebzucht, die afgodendienst is’ (Kol. 3:5). Om deze dingen komt de toorn van God over de ongelovigen, over de zonen van de ongehoorzaamheid. Zou het dan allemaal zo theoretisch zijn, met die afgoden? Zouden wij niet het risico lopen dat er afgoden zijn in ons hart, in ons leven, dingen die we moeten wegdoen? Dingen waarop we ons vertrouwen stellen, waar we al onze tijd, al onze energie in steken, omdat we het zo leuk vinden.
‘Vrees de goden van de Amorieten niet, in wier land u woont’ (vs. 10). Dat zei de profeet niet zonder reden in Richteren 6. We weten helaas dat de Israëlieten in Egypte reeds de afgoden hebben gediend. Dat bleek ook al gauw in de woestijn, toen ze bij de berg Sinaï een gouden kalf lieten vervaardigen – nota bene door de priester Aäron (Ex. 32). De dienst van de kalveren kwam voort uit de afgoderij die in Egypte gebruikelijk was. En toen ze in het beloofde land waren aangekomen, waren daar weer andere goden die een risico voor hen vormden: de goden van de Amorieten, in wier land u woont. ‘Maar u hebt niet naar Mijn stem willen luisteren’ (Richt. 6:10).
Gideon geroepen
Dat was de eerste oproep die tot het volk van God kwam in deze situatie, nadat ze zeven jaar lang zwaar onderdrukt waren door de Midianieten. Ze beroofden hen van alles, van het veldgewas, ze lieten niets over in Israël, geen schaap, geen rund, of ezel. Israël was zeer verarmd door toedoen van de vijand. Maar de Heere had het allemaal toegelaten. Toch had Hij – we hebben eraan gedacht – telkens medelijden met Zijn volk. Telkens stuurde Hij een richter, een verlosser, iemand die het volk bevrijdde uit de hand van de tegenstander.
En nu nam de Heere Zelf het initiatief en kwam Hij bij het huis van Joas, waar kennelijk ook de afgoden werden gediend, want er was een altaar voor de Baäl op zijn terrein. De Engel van de Heere kwam en zette zich hier neer onder de terebint of de eik bij Ofra, terwijl Gideon, de zoon van Joas, tarwe uitklopte in de wijnpers (vs. 11). Gideon was de man die radicaal een einde moest maken aan de afgoderij. Zijn naam betekent trouwens boomveller, en dat ziet op het feit dat hij het altaar van de Baäl heeft afgebroken en de gewijde paal heeft omgehouwen, die erbij stond.
Gideon was bezig, toen de Heere aan hem verscheen, om in de wijnpers tarwe uit te kloppen en die voor de Midianieten in veiligheid te brengen. Het weinige voedsel dat er nog was, wilde hij verbergen voor de vijand. Normaliter weten we dat de tarwe werd gedorst en dan ook werd gewand op een hooggelegen plaats, de dorsvloer. De tarwe werd in de lucht geworpen, en dan waaide het kaf weg, zodat wat waardevol was op de grond bleef liggen en kon worden verzameld. Maar Gideon deed dat niet in alle openheid, maar op een verborgen plaats, in de wijnpers. Hij was hier bezig om de tarwe uit te kloppen.
Dit is een mooie bezigheid, om bezig te zijn met de oogst van het beloofde land. Het was de opbrengst van het land dat God aan Zijn volk had gegeven. Het is ook fijn, wanneer wij als gelovigen hiermee bezig zijn en genieten van onze hemelse zegeningen. We weten dat er twee bekende oogsten in Israël waren: de gersteoogst en de tarweoogst; en die hebben ook een symbolische betekenis. Dit wordt duidelijk gemaakt in Johannes 6 en in Johannes 12. In Johannes 6 vinden we eerst de gerst. Bij de wonderbare spijziging van de vijfduizend waren er vijf gerstebroden, die de Heer vermenigvuldigde. Later vinden we dat Hij hier verder op doorgaat en spreekt over het Brood van het leven. Dan zien we dat Hij spreekt over het nieuwe leven dat Hij geeft aan allen die in Hem geloven. Het nieuwe leven is vervat in Hemzelf, in Zijn Persoon. Hij is het ware brood, dat uit de hemel is neergedaald. En we zien dat dit nieuwe leven ook opstandingsleven inhoudt.
Lees het voor uzelf maar eens na in Johannes 6. Het is een leven dat blijft tot in eeuwigheid, dat opstandingskracht heeft.
De gersteoogst was meestal de eerste oogst en dan volgde de tarweoogst. Daarover spreekt de Heer in Johannes 12 in enkele verzen, waarin Hij Zichzelf vergelijkt met de tarwekorrel, het tarwegraan dat in de aarde valt en sterft. Hier vinden we ook de gedachte van het eeuwige leven. Maar hier vinden we nog meer resultaten van het lijden en sterven van Christus en van Zijn opstanding, doordat Hij eraan toevoegt: ‘Wie zijn leven liefheeft, verliest het; en wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren tot het eeuwige leven. Als iemand Mij dient, laat hij Mij volgen; en waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn’ (Joh. 12:24-28).

Daar zien we het volle resultaat van het nieuwe leven, het eeuwige leven dat Christus geeft aan allen die in Hem geloven. Het is niet alleen opstandingsleven, maar het is een leven dat ons in staat stelt om dáár te zijn waar Hij is. En waar Ik ben – dat is bij de Vader in het Vaderhuis –, daar zal ook Mijn dienaar zijn. Het is in Gods hart om vele zonen tot heerlijkheid te leiden, om ons gelijkvormig te maken aan de Heere Jezus en ons een plaats te geven daar waar Hij nu al is, bij de Vader. Wonderlijk resultaat van het verlossingswerk van de Heere Jezus en van alles wat Hij is in Zijn Persoon.
Mooi als wij bezig zijn met de zegeningen van het beloofde land, met de oogst van het land dat God ons heeft gegeven, want al die dingen spreken van de Persoon van de Heere Jezus en van de rijkdommen die we in Hem hebben ontvangen. Het is dus positief dat Gideon daarmee bezig was, toen de Engel van de Heere aan hem verscheen. De Heere probeerde hem telkens te bemoedigen. De Engel verscheen en zei: De Heere is met u, strijdbare held!
Nee, zo dapper was Gideon niet en hij begon dan ook met dat probleem van Gods wegen met het volk. Och, als de Heere met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? Waarom zijn er zoveel problemen en moeilijkheden, zoveel teleurstellingen? Indien de Heere met ons is, waarom?
Waarom zijn er ook nu in het leven van het volk van God zoveel moeilijkheden? Waarom zoveel verdeeldheid, waarom die scheuringen? Waarom de problemen, de moeiten en zorgen? Indien de Heere met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? Dat is wel een risico, dat we gaan twijfelen aan de macht van de Heere en aan Zijn wijsheid. Heeft de Heere ons niet uit Egypte geleid? Maar nu heeft Hij ons verstoten en overgelaten aan de greep van Midian. Het wordt nooit meer wat. We zijn klein, we zijn zwak, we zijn gebrekkig, er zijn gelovigen die alleen in de huizen samenkomen. Waarom is dit alles ons overkomen? Waar zijn dan al Zijn wonderen? Hoe zit het met de regering van God? Hij heeft ons verlaten, zegt Gideon.
Ga in deze kracht van u
Maar de Heere gaat niet in op al die vragen, al die problemen. Toen wendde de Heere Zich tot hem en zei: ‘Ga in deze kracht van u’ (vs. 14). Wat was dat dan, die kracht van u? Dat was de belofte die de Heere gegeven had: ‘De Heere is met u, strijdbare held’ (vs. 12). Dat was de kracht van Gideon, de kracht waarin hij moest strijden en het gevecht moest aangaan met de vijand. De Heere is met u, hoe is het mogelijk? Het is alsof we het de Heere Jezus horen zeggen tegen Zijn discipelen: ‘Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw’ (Matt. 28:20).
Hoort u het? ‘Ik ben met u tot aan de voleinding van de eeuw’. Een wonderbare belofte van de Heer. We kunnen heengaan in Zijn kracht. Ga in deze kracht van u, en u zult Israël uit de hand van Midian verlossen. Heb Ik u niet gezonden? Heeft de Heer misschien toch een opdracht voor ons? Een taak, een dienst te vervullen? Iets te doen tot eer van Zijn Naam? Gideon moest wel leren dat het inderdaad alleen in de kracht van God zou gebeuren. Want u weet dat het hele leger dat hij bijeen riep uit de stammen van Israël, telkens kleiner werd gemaakt. Het werd eigenlijk gereduceerd tot niets. Er bleven ten slotte nog maar driehonderd mannen over. Ga heen in deze uw kracht, de Heer is met u.
Driehonderd mannen stonden tegenover een overmachtige vijand. Het is een wonderlijke geschiedenis, we weten hoe het verder ging en hoe God inderdaad op aparte wijze uitredding gaf. Het was niet de kracht van het volk, ook niet de kracht van de driehonderd strijders die de overwinning behaalden. Het was werkelijk Gods kracht, die in zwakheid werkte. We zien dit duidelijk in het breken van de kruiken (Richt. 7). Dat is een beeld daarvan. Het vat wordt verbroken, maar dat is omdat het leven van de Heere Jezus en de kracht van God in ons openbaar zouden worden, zo zegt de apostel tegen de Korinthiërs (2 Kor. 4:7-11).
Ik zend u immers, maar hij zei tot Hem: ‘Och, mijn Heer! Waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn geslacht is het geringste’. Gideon gaat protesteren, hij ziet het niet zitten: die roeping van de Heere. Ik ben niets, zegt hij, ik ben de jongste van mijn familie. En dan vinden we opnieuw de belofte van de Heere. De Heere zei tegen hem: ‘Omdat Ik met u zal zijn, zult u Midian verslaan alsof het maar één man was’ (vs. 16). Gideon aarzelt nog, en hij verlangt een teken dat het inderdaad een opdracht van God Zelf is. En hij wil ook iets aan Hem brengen, een offer. Deze geschiedenis vertoont overeenkomsten met wat we zien in het leven van Simson, als Manoach een offer brengt op een rots aan de Heere. We zien dat God in Richteren 13 ook een wonder deed. Terwijl het offer verteerd werd en de vlam vanaf het altaar naar de hemel opsteeg, steeg de Engel van de Heere op in de vlam van het altaar.
Hier in Richteren 6 zien we dat de Engel van de Heere de staf die Hij in Zijn hand hield, uitstrekte en met het uiteinde het vlees en de ongezuurde broden aanraakte; en vuur steeg op uit de rots en verteerde het vlees en de ongezuurde broden. Daarna verdween de Engel van de Heere uit zijn gezicht. In beide geschiedenissen zijn het beelden van het offer van de Heere Jezus, Die op wonderbare wijze het verlossingswerk heeft volbracht. Zijn offer is verteerd in het vuur van het gericht. We hebben er ook aan gedacht hoe de Heere Jezus geleden heeft in het oordeel en is getroffen door de slaande hand van God. Het vuur van het gericht heeft Hem getroffen, Die in onze plaats is gaan staan. Maar het werk is volbracht en de Heere Jezus is verhoogd aan de rechterhand van God. We vinden in deze geschiedenis niet dat de Engel opsteeg in de vlam van het altaar, maar we lezen wel: ‘Toen was de Engel van de Heere uit zijn ogen verdwenen’ (vs. 21). Het werk is volbracht, het offer is aangenomen. De Heere Jezus heeft Zich gezet aan de rechterhand van God in de hoge.
U moet verder voor uzelf maar eens bestuderen, hoe vaak er sprake is van altaren en offers en ook van de wollen vacht, het tweede teken dat Gideon vraagt. Dit spreekt ook van de offerdood van de Heere Jezus, van de verzoening die Hij heeft volbracht en de resultaten hiervan. De eerste keer, als Gideon een proef neemt met die vacht, dan vraagt hij of er alleen op de wollen vacht dauw zou mogen zijn, terwijl het hele land droog blijft (Richt. 6:37-38). Dit zou voor hem dan een teken zijn dat de Heere met hem was en hem wilde gebruiken om Israël te verlossen.
De tweede keer is het teken precies omgekeerd. Bij de tweede proef blijft de vacht droog en wordt heel het land eromheen bevochtigd met de dauw, met de zegen van boven (Richt. 6:39-40).
Dit zijn beelden van het werk van de Heere Jezus, van Zijn Persoon. Heel het land was dor en droog, de hele mensheid viel onder het oordeel van God. Maar de Heere Jezus is de Gezalfde, Hij is de Gezegende. Het hele land bleef droog, alleen op de wollen vacht was de dauw. Dit is een beeld van Gods welbehagen, dat rustte op de Persoon van de Heere Jezus.
En het tweede tafereel is precies omgekeerd, de vacht bleef droog. Dat spreekt van het lijden van Christus, toen Hij door Zijn God werd verlaten. Toen werd de gemeenschap met God onderbroken in de drie uren van duisternis. Geen verbinding meer naar boven toe, alleen droogte. Maar het resultaat was dat de hele aarde bevochtigd werd met de dauw, met de zegen van boven. Welnu, dat is het unieke resultaat van het lijden en sterven van de Heer, van de drie uren van duisternis. De zegen van God kan nu vrij naar ons toestromen. Zodat allen die Hem kennen en toebehoren, gezegend worden met die hemelse dauw.
Maar hoe ging het nu met het probleem van de afgodendienst? Daar moest wat aan gedaan worden, voordat God Zijn volk kon zegenen en kon verlossen uit de macht van de tegenstander. De afgoden moesten omvergeworpen worden en de dienst van de ware God moest worden hersteld. Gideon is de man die dat moest doen, die de opdracht krijgt van de Heere: ‘Neem een jonge stier van de runderen die van uw vader zijn, en wel de tweede jonge stier, van zeven jaar. Breek vervolgens het altaar van de Baäl af dat van uw vader is, en hak de gewijde paal om die daarbij staat’ (vs. 25).

Dus Gideon moest optreden als bomenveller: weg met die afgoden. ‘Bouw daarna voor de Heere, uw God, een altaar op de top van deze vesting, op een geschikte plaats. Breng het in gereedheid en neem dan de tweede jonge stier en offer hem als brandoffer met het hout van de gewijde paal, die u om zult hakken’ (vs. 26). Ziet u hoe dat samengaat, die afgoden verwijderen en de dienst van de Heere herstellen? Bouw daar dan een altaar voor de Heere, uw God.
De HEERE is vrede
Hebben wij een altaar in ons leven? Willen we afrekenen met eventuele afgoden? Met dingen waar we ons hart op gezet hebben, buiten de Heere? En willen we ons dan alleen aan Hem toewijden en Hem eren en verheerlijken? Dan bouwen wij ook een altaar, zoals de aartsvaders Abraham, Izak en Jakob dat deden. De afgoden krijgen hier geen kans meer, want Joas, op wiens terrein het altaar voor de Baäl had gestaan, kiest de kant van zijn zoon, van Gideon. Gideon krijgt nog een tweede naam, Jerubbaäl. Want Joas zei: Laat de Baäl het tegen hem opnemen, want hij heeft zijn altaar afgebroken. Indien hij een god is, laat hij voor zichzelf strijden.
Het is fijn dat de actie van Gideon weerklank vond in het huis van Joas. Ziet u wel dat de Heere met hem was en dat Hij hem wilde helpen en wilde zegenen. Dat is trouwens dus het tweede altaar van Gideon (vs. 26). Er was nog een eerste altaar, in vers 24 lezen we dat. De Heere zei toen tegen hem, nadat hij zijn offer had gebracht: ‘Vrede zij met u! Wees niet bevreesd, u zult niet sterven’. Toen bouwde Gideon daar een altaar voor de Heere en noemde het: De Heere is vrede! Het is er nog tot op deze dag, in het Ofra van de Abiëzrieten.
De Heere is vrede. Een altaar voor de Heere. Het is alsof we de Heere Jezus zien verschijnen op de eerste dag van de week, de dag van Zijn opstanding, te midden van Zijn discipelen, en hoe Hij hun toeroept: ‘Vrede zij u’. De Heere is vrede. Is dat niet heerlijk: vrede te midden van conflicten, te midden van problemen, vrede te midden van de onderdrukking van de vijand. De Heere is vrede.

Het geheim van die vrede ligt in Hemzelf, want Hij is vrede. Als Hij met ons is, kunnen we met de vrede van God in ons hart de weg gaan. Kan de Heer ons ook gebruiken in Zijn dienst tot eer van Zijn naam? Lijd verdrukking als een goed soldaat van Jezus Christus! Maar dan wel radicaal afrekenen met de afgoden! Als we dat doen, zal de Heer ons zegenen en zullen er ook anderen zijn die dit goede voorbeeld volgen. Dan zullen we opnieuw iets ervaren van de zegen van God, ook gemeenschappelijk. Moge de Heer ons dit geven, zodat we Zijn wegen en Zijn regering kunnen bewonderen en kunnen bejubelen in ons leven.
Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.
Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is zijn en ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.
