19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament
De voortdurende eredienst in het heiligdom
Studies in Exodus 25 tot 30
‘Dan moet u het toonbrood op de tafel leggen; het moet er voortdurend voor Mijn aangezicht zijn’.
Exodus 25:30
‘U moet de Israëlieten gebieden dat zij zuivere olie, uit gestoten olijven, voor u meenemen voor het licht, om voortdurend een lamp te laten branden’.
Exodus 27:20
Voortdurend
In Exodus 25 gaat het over de tafel van de toonbroden in het heilige. In Exodus 27 gaat het over de zevenarmige kandelaar in het heiligdom. Maar ook bij de beschrijving van het reukofferaltaar lezen wij dat er een voortdurend reukwerk moest zijn voor het aangezicht van de HEERE, al uw generaties door (Ex. 30:8). Andere vertalingen gebruiken het woord geregeld of bestendig. Het gaat om altijddurende inzettingen.
We hebben gezongen over onze toekomst bij de Heer, in het huis van de Vader, dat het een vreugde zal zijn om straks bij Hem te zijn in Zijn tegenwoordigheid. Maar het mooie voor ons als christenen is dat wij ons ook nu al in Gods tegenwoordigheid mogen bevinden en mogen binnengaan in Zijn nabijheid. Hiervan spreekt het heiligdom in het Oude Testament.
Maar wij weten dat de gemeente van God nu Gods tempel is in de Geest, waarin Hij woont, waar Hij aanwezig is en wij als gelovigen mogen komen in Zijn nabijheid (Ef. 2:20-22). Het wonderlijke is dat wij voortdurend, eigenlijk constant, een plaats mogen hebben in de tegenwoordigheid van God. Wij genieten hier als we nadenken over Gods Woord. Als we bidden, treden we ook in Gods nabijheid, in Zijn tegenwoordigheid. Wij mogen dat voortdurend doen, geregeld of bestendig, zoals in deze plaatsen staat.
De tafel voor de toonbroden
De priesters kwamen telkens in het heiligdom, met name Aäron, de hogepriester. De opdracht aan Mozes in verband met de tafel voor de toonbroden luidde: ‘Dan moet u het toonbrood op de tafel leggen; het moet er voortdurend voor Mijn aangezicht zijn’. Die twaalf broden spreken symbolisch van het grote voorrecht dat het volk van God genoot. Ze werden in het heiligdom gedragen in de tegenwoordigheid van God. Het is het brood van de aanwezigheid. De broden spraken van de twaalf stammen, dus van het hele volk van God, dat een permanente plaats had voor Gods aangezicht en werd gedragen door die tafel, zodat God zag dat het volk daar een plaats had in Zijn nabijheid.
De tafel van de toonbroden is daarom een beeld van de Heere Jezus als de Drager van al de Zijnen. Het hele volk van God wordt door Hem gedragen in Gods tegenwoordigheid. De broden konden er niet vanaf vallen, er was een gouden omlijsting om de tafel en ze lagen daar veilig – beschermd door die rand. Dit een beeld van de positie van de gelovigen in Christus, heilig en veilig in Hem, gedragen in de tegenwoordigheid van God. De tafel spreekt van Christus, en de broden spreken van het volk van God; ze waren daar voortdurend.

De broden werden één keer per week ververst. Dat moesten de priesters doen op de sabbatdag en ze werden dan ook gegeten op een heilige plaats. De priesters genoten dus ook van wat sprak van de heerlijke positie van het volk van God in Gods nabijheid. Daarmee mochten ze zich voeden, en dat mogen wij ook doen met alles wat we in Christus geworden zijn voor Gods aangezicht.
Denk maar aan al die keren dat in Efeziërs 1 gezegd wordt: in Christus hebben we die zegen, in Hem hebben we ook die zegen. Zo gaat dat het hele hoofdstuk door, want al die zegeningen zijn in Christus. Zo hebben we alles ontvangen in Hem, en daarvan mogen we genieten, daarmee mogen we ons voeden. Voortdurend waren die broden er en telkens was daar het voorrecht van de priesters om zich ermee ook te voeden, op Gods tijd.
De kandelaar
De tweede keer dat we dit woord ‘voortdurend’ vinden is in Exodus 27, als het gaat om de olie voor de kandelaar: ‘U moet de Israëlieten gebieden dat zij zuivere olie, uit gestoten olijven, voor u meenemen voor het licht, om voortdurend een lamp te laten branden’. Er was voortdurend licht in het heiligdom. Het is het licht van God dat schijnt, als we naderen in Zijn nabijheid. Het was het licht, dat brandde door middel van de olijfolie, die spreekt van het werk van de Heilige Geest. En het is het licht dat Hij geeft door middel van het Woord, dat is constant aanwezig in het heiligdom.

In het volgende vers staat ook dat die lamp, de menora, verzorgd moest worden in het heiligdom en dat het licht moest branden van de avond tot de ochtend, voor het aangezicht van de Heere. Het was een altijddurende inzetting, een eeuwige verordening, al hun generaties door. Voortdurend was dit licht in het heiligdom aanwezig, het moest steeds branden. De lamp mocht niet uitgaan van de avond tot de morgen. Dat spreekt van de nacht waarin wij nu leven, de nacht van Christus’ verwerping. De nacht is ver gevorderd, zegt de apostel Paulus (Rom. 13:12).
Maar als we bij God komen, als we bij Hem in het heiligdom zijn, dan is er dit licht van Hem, de lamp van de Heilige Geest die voortdurend brandt. Wij mogen hier steeds van genieten, als we in Gods nabijheid zijn. Psalm 134:1 is een mooi vers in dit verband. Hier worden de gelovigen ertoe opgeroepen de Heere te prijzen: ‘Kom, loof de Heere, alle dienaren van de Heere, u die nacht aan nacht in het huis van de Heere staat’. Daar vindt dus in de nacht een lof-offerdienst plaats, een eredienst in het huis van God. Die duurt van de avond tot de morgen, zoals we het hier vinden.
De morgen spreekt van de komst van de Heere Jezus, als het licht aanbreekt, als het dag wordt en de zon opgaat. Maar tijdens de nacht – de nacht van Christus’ verwerping, waarin we nu leven – mogen we genieten van het licht in het heiligdom, in Gods nabijheid, waar voortdurend de lampen branden. En de priesters moesten daar telkens ook een bijdrage aan leveren, want ze moesten de olie bijvullen en de pitten van de lampen bijknippen als het nodig was. De lampen moesten verzorgd worden, en dat gebeurde dus zowel ’s avonds alsook ’s morgens.
Wat is het heerlijk te weten dat het licht is in de tegenwoordigheid van God, en dat de duisternis voorgoed verdreven is. De duisternis is voorbijgegaan, omdat we zelf ook licht zijn geworden in de Heer en leven in het licht. Dit is de heerlijke positie van de gelovige: ‘Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar’ (1 Joh. 1:7). Het is een geweldige zegen zich in het licht van God te mogen bevinden, te weten dat hier onze plaats is voor Zijn aangezicht. En het is ook onze verantwoordelijkheid om invulling hieraan te geven, dit waar te maken en te beleven. We beseffen natuurlijk wel dat we daarin telkens ook falen.
Voortdurend op Zijn hart
Dan vinden we dezelfde uitdrukking in verband met de kleding van de hogepriester, in Exodus 28: ‘Zo zal Aäron de namen van de zonen van Israël op de borsttas van de beslissing, op zijn hart dragen, als hij in het heiligdom binnenkomt, tot een voortdurende gedachtenis voor het aangezicht van de HEERE. En u moet in de borsttas van de beslissing de urim en de tummim doen, zodat die op het hart van Aäron zijn, als hij binnenkomt voor het aangezicht van de HEERE. Zo zal Aäron de beslissing voor de Israëlieten voortdurend op zijn hart dragen voor het aangezicht van de HEERE’ (Ex. 28:29-20).
En op de tas of het schild, dat de hogepriester op het priestergewaad droeg, daarin waren vier rijen met telkens drie edelstenen aangebracht. Daar heb je weer het getal twaalf, van de twaalf stammen, dus van het hele volk van God. We lezen hierover vanaf vers 15. De twaalf edelstenen waren met goud omgeven, in hun zettingen in goud gevat. De hogepriester droeg dit prachtige borstschild met de edelstenen op zijn borst. Hierover zegt de Schrift: ‘Zo zal Aäron de namen van de zonen van Israël op de borsttas van de beslissing, op zijn hart dragen, als hij in het heiligdom binnenkomt’.

Welnu, bij de hogepriester mogen we natuurlijk denken aan de Heere Jezus, de grote Hogepriester van onze belijdenis. En de Hebreeënbrief roept ons daarbij op: Zie, wat een grote Hogepriester wij hebben! Wij moeten bedenken dat de Heere Jezus al de Zijnen op Zijn hart draagt in dit borstschild van de beslissing. Aäron moest ook al de namen van de zonen van Israël in het borstschild van de beslissing op zijn hart dragen, wanneer hij in het heiligdom kwam.
De Heere Jezus is voortdurend in tegenwoordigheid van God en Hij bidt onophoudelijk voor ons. Dag en nacht pleit Hij voor ons en dag en nacht draagt Hij ons op Zijn liefdevolle hart. Daar komt geen einde aan, er is geen onderbreking in Zijn zorg. Dit gebeurt voortdurend, want Hij leeft altijd om voor ons te bidden en te pleiten. En dat is ook een voortdurende gedachtenis voor het aangezicht van de Heere God. Zo wordt Hij voortdurend herinnerd aan het welzijn van al Zijn kinderen; en de Hogepriester draagt ons op Zijn liefdevolle hart.
In die borsttas waren ook nog twee andere edelstenen aanwezig, de urim en de tummim, en daarmee kon de hogepriester raad vragen aan God, om de juiste beslissingen vragen. Aäron droeg die twee stenen voortdurend in de borsttas, en hier wordt dus opnieuw de uitdrukking gebruikt: Aäron zal de beslissing voor de Israëlieten voortdurend op zijn hart dragen, voor het aangezicht van de Heere God.
Dus wat er ook gebeurt, welke beslissing de Heere ook genomen heeft als het gaat om één van de Zijnen, wat er ook plaatsvindt in ons leven, het is allemaal eigenlijk in de hemel beslist. En op een goede manier beslist, met het oog op ons welzijn, met het oog op onze geestelijke groei. Met het oog op zegen in onze omgeving, gericht op het vrucht dragen. Dat wordt allemaal hierboven beslist. Het is wonderlijk als we erover nadenken: dat de Heere Jezus als de grote Hogepriester ook die beslissingen neemt in verband met Zijn liefde voor ons. Hij doet dit voortdurend, wij zijn voortdurend op Zijn hart en ons welzijn gaat Hem ter harte. Alles wat er gebeurt, mogen we dus uit Zijn hand aannemen – ook al is dit soms moeilijk – en beseffen dat het liefdevolle beslissingen van Hem zijn.
Voortdurend op Zijn voorhoofd
En er was nog een onderdeel van de kleding van de hogepriester, waar we diezelfde uitdrukking vinden. In Exodus 28 gaat het om de tulband die Aäron droeg. Dit was een soort kroon en aan de voorkant daarvan was een gouden plaat bevestigd van louter goud. Hierop waren de woorden gegraveerd: De Heere heilig, of: Aan de Heere gewijd. Wat zegt vers 38 dan? ‘Hij moet namelijk op het voorhoofd van Aäron zijn, zodat Aäron de ongerechtigheid kan dragen van de geheiligde gaven die de Israëlieten brengen, ja, van al hun geheiligde geschenken. Hij moet namelijk voortdurend op zijn voorhoofd zijn om hen aangenaam te maken voor het aangezicht van de HEERE’.
U weet, de Israëlieten brachten offeranden, offergaven, want ze zonderden dingen af die ze veroverden op de vijanden: goud, zilver en andere kostbare dingen. Een deel hiervan, of soms compleet als het om de buit ging, werd dan speciaal opzijgezet voor de dienst van God. Dat zijn de dingen die de Israëlieten heiligden, geheiligde geschenken. Wij mogen ons ook toewijden aan de dienst van de Heer en geheiligde gaven brengen aan onze God en Vader. We hebben zelf niets in eigen beheer om zo te zeggen, het is allemaal van Hem. Maar wat we bezitten, wat we kunnen, onze capaciteiten, onze mogelijkheden, onze tijd: we mogen het aan Hem geven, voor Hem gebruiken, voor Hem apart zetten.
Maar dit is natuurlijk niet zo gemakkelijk voor ons in de praktijk. We falen ook in onze toewijding en offerbereidheid. Om die reden droeg de hogepriester die gouden plaat op zijn muts, op zijn voorhoofd, waarop stond: De Heere heilig, aan de Heere gewijd. Eigenlijk: de heiligheid van de Heere. Opdat de hogepriester de fouten, de gebreken, het manco in toewijding en offerbereidheid van de Israëlieten, op zich zou kunnen nemen. Zo zou hij de schuld dragen, die gelegen is in de heilige dingen.
De gouden plaat moest voortdurend op zijn voorhoofd zijn, opdat de Israëlieten welgevallig zouden zijn voor het aangezicht van de Heere. De hogepriester vertegenwoordigde het hele volk bij God. En ondanks hun onvolkomenheden, gebreken en fouten, laten we het maar houden op gebrek aan toewijding – het gaat niet om bewuste zonden denk ik – en alle tekortkomingen van onze kant: de Heere Jezus maakt dat allemaal goed, doordat Hij daar bij de Vader is en ons kan heiligen krachtens alles wat Hij is in Zijn volmaaktheid.
Louter goud spreekt van de heerlijkheid van God, van Zijn goddelijk karakter. Die gouden plaat was voortdurend op het voorhoofd van de hogepriester, als hij het heiligdom binnenging en zo was het volk van God aangenaam en welgevallig voor het aangezicht van de Heere. Doordat wij nu zo’n grote, heerlijke Hogepriester hebben in de hemel, zijn wij ook aangenaam bij God en welgevallig voor Zijn aangezicht.
En dit is dus iets wat constant doorgaat, voortdurend; de Heere Jezus verlaat Zijn plaats nu niet in het hemelse heiligdom. Dat gebeurt pas als Hij verschijnt in heerlijkheid. Hij is nu constant hierboven om voor ons te bidden en te pleiten. Wij zijn welgevallig voor Gods aangezicht, in Hem, en dat zelfs ondanks ons falen en onze tekortkomingen. In Hem heilig, zijn wij veilig, en is er niets dat ons scheidt van Zijn liefde. De Hogepriester is voortdurend in het heiligdom, wij mogen ook voortdurend daar zijn bij Hem, en genieten van al die heerlijke dingen in de heilige tegenwoordigheid van God.
De voortdurende altaardienst
Dit woord voortdurend of geregeld komt nog enkele keren voor, en wel in verband met de beide altaren. Dit vinden we ook in deze hoofdstukken. In Exodus 29 lezen we over het brandofferaltaar: ‘Dit nu is het wat u op het altaar moet bereiden: elke dag twee lammeren van een jaar oud, en dat voortdurend’ (Ex. 29:38). Het ene lam moest in de morgen worden bereid, en het andere lam tegen het vallen van de avond. ‘Het moet een voortdurend brandoffer zijn, al uw generaties door, bij de ingang van de tent van ontmoeting, voor het aangezicht van de HEERE’ (vs. 42).
Er was dus een voortdurende eredienst bij het heiligdom in verbinding met het brandofferaltaar. ‘s Morgens het ene brandoffer en ’s avonds het andere brandoffer. En we weten vanuit de Bijbel dat de tijd van het avondbrandoffer ook vaak ‘het uur van het gebed’ werd genoemd. Als dit offer werd gebracht op het brandofferaltaar, dan was het volk van God, dat aanwezig was in de voorhof, vaak in gebed. We vinden die uitdrukking een paar keer in het boek Handelingen.
Dit dagelijkse morgen- en avondoffer was eigenlijk de grondslag waarop God te midden van Zijn volk kon wonen. Dit offer, waarvan de rook om zo te zeggen continu opsteeg, was de basis voor een heilige God om te midden van een zondig volk te kunnen wonen. Dat wordt duidelijk gemaakt in deze hoofdstukken.
In de slotverzen van Exodus 29 lezen we dan ook dat het dagelijks brandoffer noodzakelijk was: ‘Het moet een voortdurend brandoffer zijn, al uw generaties door, bij de ingang van de tent van ontmoeting, voor het aangezicht van de Heere. Daar zal Ik u ontmoeten om daar met u te spreken. Daar zal Ik dan de Israëlieten ontmoeten, en zij zullen door Mijn heerlijkheid geheiligd worden (…). Ik zal dan te midden van de Israëlieten wonen, en Ik zal hun tot een God zijn’ (vs. 42-45).
Het dagelijks brandoffer was de rechtvaardige grondslag van God om te midden van Zijn volk te kunnen wonen en daar met hen samen te kunnen komen. En hen te heiligen door Zijn heerlijkheid. Dus met dit dagelijkse morgen- en avondoffer wordt heel duidelijk verbonden het wonen, het verblijven van God te midden van de Israëlieten. Dit was de grondslag waarop Hij bij hen kon zijn. Welnu, met het brandofferaltaar hebben wij als gelovigen ook te maken, want de apostel Paulus verbindt dit duidelijk met de tafel van de Heer (1 Kor. 10). En ook in de Hebreeënbrief vinden we dat er gezegd wordt: ‘Wij hebben een altaar’ (Hebr. 13:10).
In verbinding met dat altaar worden dan de offeranden van lof genoemd (vs. 15). Zoals de Israëlieten dierenoffers brachten, zo mogen wij offers van lof opofferen door Christus, de vrucht van de lippen die Zijn naam belijden. Wij hebben een altaar, dat is niemand anders dan de Heer Zelf. Al deze voorwerpen, al deze dingen spreken van Hem.

Het brandofferaltaar was in de voorhof, nadat je de poort binnenging; dan was er eerst het brandofferaltaar. Daar kwam het volk van God dus bijeen om de offeranden aan God aan te bieden, en we weten dat ze die offerdieren zelf moesten slachten. Ze waren daar persoonlijk bij betrokken. En zo is dat ook met ons, als we eredienst hebben en die slachtoffers van lof opofferen, dan zijn we daar heel persoonlijk bij betrokken. Wij mogen met die offeranden bij God komen en die als het ware op Zijn tafel aan Hem aanbieden.
Er was nog een altaar en dat was het reukofferaltaar; dat stond in het heilige. In verbinding met het reukofferaltaar lezen we in Exodus 30: ‘En Aäron moet daarop geurig reukwerk in rook laten opgaan. Elke morgen als hij de lampen in orde gebracht heeft, moet hij het in rook laten opgaan. Ook als Aäron de lampen tegen het vallen van de avond zal aansteken, moet hij het in rook laten opgaan. Het moet een voortdurend reukwerk zijn voor het aangezicht van de HEERE, al uw generaties door’ (Ex. 30:7-8).
Hier hebben we weer hetzelfde woord ‘voortdurend’. Het was een voortdurende eredienst in het heiligdom. Wij hebben nu vrije toegang in het hemelse heiligdom door het bloed van Jezus (Hebr. 10:19). Voortdurend mogen we binnengaan in Zijn nabijheid, ook met dit welriekende reukwerk. Dit reukwerk spreekt vooral van het gebed en van onze aanbidding. Er is een heel duidelijk vers in Psalm 141 vers 2. Daar lezen we: ‘Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan, laat mijn opgeheven handen als het avondoffer zijn’.
Dit reukwerk, dat als offer op het reukofferaltaar werd gebracht en opsteeg naar boven: dat was een pan met brandende kolen van het brandofferaltaar en daar werd het reukwerk bovenop gelegd. Dit werd op die manier ontstoken en de rook van het reukwerk steeg op: een prachtig beeld van onze gebeden, die vanuit onze harten opstijgen tot God. En ook van onze aanbidding, onze bewondering voor het werk van Christus.
Is het niet wonderlijk dat we dit voortdurend mogen doen? Voortdurend een plaats hebben in het heiligdom? Zoals daar licht is in het heiligdom – er is sprake van het aansteken van de lampen in de avondschemering –, is daar ook voortdurend de dienst van de aanbidding, van de gebeden in het heiligdom. In de tegenwoordigheid van God is het licht, we hebben daaraan gedacht. Dat was ook constant, het ging door die hele nacht. Maar er is ook dit welriekende reukwerk, dat op het reukofferaltaar werd ontstoken en opsteeg voor Gods aangezicht. Het was aangenaam voor Hem, een bestendig reukwerk voor uw generaties.
Straks zullen we bij de Heer zijn, maar ook nu al mogen we bij Hem komen met onze gebeden, met onze aanbidding. We mogen ook genieten van het licht in het heiligdom, in de tegenwoordigheid van God, en van het voedsel dat daar is: de toonbroden, die spreken van onze positie in Christus. Ja, we mogen vooral ook dankbaar zijn voor onze grote Hogepriester, Die ons voortdurend op Zijn hart draagt en voortdurend die beslissingen voor ons neemt die wenselijk zijn, die tot ons welzijn zijn en tot eer van God zijn. We mogen dankbaar zijn voor de dienst van onze Heer en Heiland in het hemelse heiligdom. En wij mogen ook dankbaar zijn dat wij als priesters, als aanbidders mogen ingaan in de tegenwoordigheid van God. Wat een heerlijke voorrechten hebben wij nu al hier op aarde.
Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.
Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is zijn en ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.
