19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament
Het manna
Het brood uit de hemel
Exodus 16:2-36;
Psalm 78:17-25;
Hebreeën 9:4;
Openbaring 2:17
‘Zij spraken tegen God en zeiden: Zou God een tafel gereed kunnen maken in de woestijn? Zie, Hij heeft de rots geslagen, zodat er water uitvloeide en er beken overvloedig uitstroomden. Zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volk van vlees kunnen voorzien?’ (…). ‘Hij gebood de wolken daarboven en opende de deuren van de hemel: Hij liet manna op hen regenen om te eten en gaf hun hemels koren. Eenieder at het brood van de machtigen; Hij zond hun proviand tot verzadiging toe’.
Uit Psalm 78
‘Wie overwint, die zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan hij die hem ontvangt’.
Openbaring 2:17
Het ware brood uit de hemel
Wij zingen soms over de rijkdom van het Woord van God, dat het een gave is die God ons heeft geschonken: ‘Vader, dank voor deze gave: levensvoedsel, hemelbrood’. Hier vinden we de uitdrukking ‘hemelbrood’. Dit wijst erop dat dit voedsel van boven komt en een hemelse oorsprong heeft: het daalt van God neer.
En we zouden eigenlijk ook Johannes 6 moeten lezen, maar dat moet u voor uzelf maar eens doen, want het is een lang hoofdstuk. Daar zegt de Heere Jezus tegen de Joden dat Mozes hun het manna gaf in de woestijn. ‘Maar Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel’ (Joh. 6:32). En daarmee doelde Hij op Zichzelf als het ware voedsel voor ieder die gelooft. Wie tot Hem komt en in Hem gelooft, die ontvangt nu reeds eeuwig leven, Zijn opstandingsleven. En straks zal Hij ons opwekken op de laatste dag, bij de eerste opstanding, zodat ons lichaam ook deel krijgt aan het nieuwe leven en gelijkvormig wordt aan het lichaam van Zijn heerlijkheid (Joh. 6:32-40).
Wie zich geestelijk gesproken met Hem voedt door het geloof, die ontvangt het leven en wordt ook dagelijks gevoed met dit wonderbare brood uit de hemel. We mogen ons elke dag voeden met hemels brood. Het Woord stelt ons Christus voor, en daarom is dit ook het dagelijkse manna dat wij nodig hebben voor ons geestelijk leven.

Lessen verbonden met het manna
Het manna kenden de Israëlieten niet, het was nieuw voor hen. Ik meen dat het woord manna betekent: ‘Wat is dit?’ Ze waren eerst ontevreden dat ze geen eten hadden in de woestijn. Toen zei de Heere: Ik heb dit gemor van de Israëlieten gehoord. ’s Avonds zullen jullie vlees krijgen en in de morgen zullen jullie met brood verzadigd worden. En dat was een groot wonder natuurlijk tijdens de woestijnreis, dat elke nacht telkens het manna uit de hemel neerdaalde, dat hemelse voedsel.
We zien dat er allerlei lessen verbonden worden met het manna, ook wat betreft de gehoorzaamheid van de Israëlieten. Want op de sabbat, dan mochten ze niet erop uittrekken om het manna te verzamelen. De zesde dag kregen ze een dubbele portie, en dat was een test om te kijken of ze gehoorzaam waren. De Heere zei dat ook in Exodus 16 vers 4 en 5: ‘Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen’. Ik zal het volk op de proef stellen of het al dan niet wandelt naar Mijn wet. Als ze op de zesde dag bereiden wat ze hebben binnengebracht, dan zal dit dubbel zoveel zijn als wat ze op de andere dagen verzameld hebben.
Dus de Heere testte het volk of ze naar Hem zouden luisteren. Elke zesde dag zouden ze een dubbele hoeveelheid krijgen en verzamelen, zodat ze de sabbat zouden kunnen houden en gehoorzaam konden zijn aan het gebod. ‘Zie, omdat de Heere u de sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u op de zesde dag brood voor twee dagen. Ieder moet op zijn plaats blijven! Niemand mag er op de zevende dag vanuit zijn verblijfplaats op uit gaan’ (vs. 29).

Niemand mocht dus op de sabbat naar buiten gaan om voedsel te verzamelen. God had hierin van tevoren voorzien en Hij testte het volk of het gehoorzaam was aan Zijn gebod. Iets heel opmerkelijks is namelijk dat het manna niet lang houdbaar was. Het was echter wel houdbaar vanaf de zesde dag tot en met de zevende dag, de andere dagen was het maar één dag houdbaar. Elke dag opnieuw moesten ze dus erop uittrekken om vers voedsel, vers manna, te verzamelen en te nuttigen. Daarom gaf Mozes in vers 19 het gebod: ‘Niemand mag ervan overlaten tot de volgende morgen’. Dat was ook weer een test voor de gehoorzaamheid van de Israëlieten. Zouden ze luisteren naar het Woord van God, zouden ze elke dag opnieuw erop uittrekken, zoals Hij geboden had?
Sommigen luisterden niet naar Mozes en lieten ervan over tot de morgen (vs. 20), maar toen was het bedorven. Daarom werd Mozes toornig op hen. We zien dus dat met de gave van het manna ook telkens een test verbonden wordt of ze al dan niet gehoorzaam zouden zijn aan het Woord van God. In elk geval spreekt dit ervan dat wij ook op de proef worden gesteld en dat God kijkt of wij afhankelijk zijn van Hem, van het hemelbrood dat Hij ons wil geven en dat Hij ons heeft geschonken in de Persoon van de Heer. En wat mij betreft kun je bij het manna ook aan de hele Bijbel denken, ik heb daar geen bezwaar tegen. Er zijn ook wel dagkalenders met de naam ‘ons dagelijks manna’ of iets dergelijks, en dat is natuurlijk ook een mooie toepassing.
Elke dag opnieuw mogen wij ons voeden met de rijkdommen van het Woord van God en met de Persoon van de Heer. Elke dag weer opnieuw, één bepaalde dag is niet voldoende voor de volgende dag. En er staat hier ook ergens, als de zon opkomt, dat het dan smelt. We lezen dat in vers 21: zodra de zon heet werd, smolt het weg. Ze verzamelden het elke morgen, ieder naar zijn behoefte, maar zodra de zon heet werd, smolt het. Dat spreekt van de hitte van de beproeving, die we ervaren als er moeite en leed is. Als we dan niet voldoende hebben verzameld en hebben gegeten, dan hebben we er niets meer aan. Dan smelt het weg als het ware in de hitte van de beproeving, in het vuur van de beproeving dat we dagelijks kunnen ervaren in ons leven.

We moeten ons dus ‘s morgens op tijd voeden met het Woord van God en de tijd nemen om stil te zijn voor het aangezicht van God. Als we Zijn Woord lezen, dat overdenken en ons afvragen wat er in dit gedeelte te vinden is over de Persoon van de Heiland, dan mogen we ons voeden met het hemelse manna en overdenken wat tot hulp en steun kan zijn, tot leiding voor die dag. Als we dat niet doen en de zon gaat op: zodra we op de proef worden gesteld, hebben we er niets meer aan en smelt het weg.
Het verborgen manna
Dat maakt het eigenlijk zo merkwaardig wat we gelezen hebben in vers 32 tot 34. Daar zie je dat het manna wel bewaard kon blijven, als het werd gebracht in het heiligdom, in de tegenwoordigheid van God. Dit is het woord dat de Heere geboden heeft. Vul een gomer ervan om het te bewaren, al hun generaties door, zodat zij het brood zien dat Ik u in deze woestijn te eten heb gegeven, toen Ik u uit het land Egypte leidde. Ook zei Mozes tegen Aäron: Neem een kruik en doe daar een volle gomer manna in – een dagrantsoen – en zet die voor het aangezicht van de Heere om het te bewaren, al hun generaties door. Zoals de Heere Mozes geboden had, zette Aäron het vóór de getuigenis om te bewaren.
Aäron vulde dus de kruik met het manna en hij legde die ter bewaring neer vóór de ark van het verbond in het heilige der heiligen. Dan lees je niet dat de kwaliteit van dat manna achteruit ging. Integendeel, het moest heel lang bewaard blijven voor de Israëlieten om ook de volgende generaties te kunnen tonen hoe de Heere Zijn volk geleid en gevoed had, en voor hen had gezorgd. Het was het bewijs van de zorg van de Heere voor Zijn volk in de woestijn. Opdat de ontevredenheid en het gemor van de Israëlieten gestild zouden worden, ook in de toekomst.
God zorgde goed voor Zijn volk en dit hemelse manna was het bewijs hiervan. In Hebreeën 9 lezen we dat de kruik waarin het manna bewaard bleef, een gouden kruik was. Het was niet iets goedkoops, maar heel duur materiaal: een gouden kruik. Bovendien werd deze kruik – de gouden pot, zegt de Engelse vertaling – neergelegd vóór de ark, en vóór de getuigenis, dat zijn de wetstafelen. Maar de Hebreeënbrief zegt dat die kruik zelfs in de ark werd bewaard, en dus werd verborgen in het heiligdom, veilig in de ark van het verbond. Ik vind dit contrast heel wonderlijk, nl. dat dit manna verborgen werd in het heiligdom en voor altijd houdbaar was. Het is nooit bedorven en het sprak in de tegenwoordigheid van God van Zijn zorg voor het volk.
U begrijpt wel waar dit op doelt, deze gouden kruik met het manna. Zou dit niet wijzen op de Heere Jezus in Zijn eigen persoonlijke, goddelijke heerlijkheid? Goud spreekt van heerlijkheid, de goddelijke heerlijkheid van Zijn Persoon. Maar Hij is nu niet meer op aarde. De Heere Jezus is – dat zien we in het beeld van het manna – uit de hemel neergedaald als het ware brood uit de hemel. Om aan de wereld leven te geven, en om aan ons het leven te geven. Wij mogen ons dagelijks met Hem voeden, zoals wij hebben gezien. Maar de Heer is niet meer op aarde, Hij is daarboven in het heiligdom. Hij is de verheerlijkte Mens en Hij is daar gekroond met eer en heerlijkheid.

Daarvan spreekt de gouden kruik in het heiligdom, in de tegenwoordigheid van God. De kruik die het manna bevatte; en de staf van Aäron, die in bloei had gestaan. De staf van Aäron spreekt van Zijn opstanding uit de doden. De dode staf van Aäron bracht leven en rijpe amandelen voort in één nacht (Num. 17). Dat spreekt ervan dat de Heer de Bron van het leven is en dat Hij ons nieuw leven geeft, eeuwig leven. Maar zoals gezegd, in het manna zelf zien we de Heer zoals Hij neerdaalde als Mens hier op aarde. In de gouden kruik zien we hoe de waarachtige Mens nu gekroond is met eer en heerlijkheid en in het heiligdom verborgen blijft. Hij neemt daar Zijn plaats in de tegenwoordigheid van God in, tot Zijn verschijning in macht en majesteit.
En wat is dat dan voor een wonderlijke belofte aan de overwinnaars in Pergamus (Openb. 2:17)? ‘Wie overwint, die zal Ik geven van het verborgen manna’. Ziet u, dat is het manna dat verborgen is in de kruik in het heiligdom, in de ark. Dan zie je dat dit voedsel zelfs rijpt tot in de eeuwigheid. Het bederft nooit en het is beschikbaar voor hen die overwinnen, ook straks als we bij de Heer zullen zijn. Als Hij ons zal belonen, als Hij ons zal kronen als overwinnaars. Wie overwint, die zal Ik van het verborgen manna te eten geven.
Ook dan, als we bij de Heer zullen zijn en door Hem beloond worden voor alles wat we hier op aarde voor Hem hebben gedaan, ook dan zal dit kostbare hemelbrood voor ons beschikbaar zijn. Wij zullen ons daarmee mogen voeden, en ons mogen bezighouden met de Persoon van Christus in al Zijn heerlijkheid, in al Zijn volkomenheid. Het is wonderlijk dat dit gegeven wordt als belofte in een gemeente waar sprake was van onreinheid, van het eten van afgodenoffers, van hoererij, dus van verbindingen met de wereld en geestelijk bederf. Afgoderij en hoererij: dat is altijd ongunstig in de Bijbel.
Maar in tegenstelling tot de onreinheid en het falen van de gemeente te Pergamus, die zich verbond met de afgoden en de wereld, is daar die heerlijke belofte van de Heer. Als je straks bij Mij mag zijn, kun je eten van het verborgen manna, dat volkomen rein en vlekkeloos is. Dan mag je deel hebben aan Mijzelf, genieten van een hemels leven dat niet kan falen.
Dus Christus zal voor de overwinnaar ook een bron van vreugde zijn, een bron van geestelijke voldoening. Het trof mij deze week, toen ik erover nadacht, dat je ziet dat het manna van de mens kan bederven, kan smelten in de hitte van de beproeving. Toch spreekt het van de Persoon van de Heer. Hij is heerlijk en volkomen, in Hem is geen falen, geen tekortkoming. Hij is daar altijd in de heerlijkheid van God en Hij leeft om voor ons te bidden en te pleiten. Daarvan spreekt de staf van Aäron. Maar Wie Hij was in Zijn mensheid hier op aarde, in al Zijn volkomenheid, dat blijft dus voor altijd bewaard voor Gods aangezicht. Daar gaat niets van verloren.
Het manna was fijn en vlokkig, en er zijn ook andere plaatsen waar we lezen over de kwaliteiten van het manna. Het smaakte als een honingkoek, en al die eigenschappen van het manna wijzen op de volkomenheden van onze Heer en Heiland. Zelfs al hebben we misschien maar weinig tijd, zodat we weinig kunnen verzamelen, we hoeven niets te kort te komen. Als we maar vijf of tien minuten bezig zijn met het Woord van God, dan kunnen we daarin toch het nodige vinden wat tot voedsel is voor de ziel, waardoor we gesterkt, geleid en gezegend worden. Hij die minder verzameld had kwam niet te kort, ieder had naar zijn behoefte verzameld (vs. 18).

Maar ze moesten er dus wel op uittrekken, dat betekent: het manna regende niet in de mond of in de bakpan, zo gemakkelijk maakte God het niet. Ze moesten erop uitgaan, ze moesten het verzamelen, bijeenbrengen en toebereiden. Welnu, dat wijst erop dat wij intensief met het Woord van God bezig mogen zijn, daarin mogen graven en ons ermee moeten bezighouden, elke dag weer opnieuw. En inderdaad, wij hoeven niet de sabbat te onderhouden, dat hoef ik u niet te vertellen, maar voor de Israëlieten was dit een test om te kijken of zij al dan niet gehoorzaam waren aan het gebod van God. En voor ons kan het ook een test zijn, dat de Heer kijkt of wij genoegen nemen met dit hemelbrood, het brood van de engelen. Hebben we er voldoende aan?
Een verhaaltje. Ik weet van een christelijk gezin, waar de jongste kinderen elke dag een Bijbels verhaal te horen kregen van hun moeder. Ze las dat voor, maar op een gegeven moment zei één van hen: Is er nu geen andere Bijbel? Dat geeft aan dat er iets in ons hart kan zijn, waardoor we niet genoeg hebben aan het Woord van God. En zo ging het ook met de Israëlieten, we zien dat in Numeri 11. Ze waren ontevreden met dit dagelijkse manna.
Volgens Numeri 11:4 begeerde het volk vlees te eten en andere lekkernijen die ze in Egypte genoten; en toen zeiden ze: ‘Maar nu droogt onze ziel uit, er is helemaal niets dan dit manna voor onze ogen’. Dan volgt de beschrijving van de aard, het uiterlijk van het manna. Het leek op korianderzaad, een fijn aromatisch zaad, en het zag eruit als balsemhars – ook iets kostbaars, iets bijzonders. Het volk verspreidde zich om het te verzamelen en maalde het met handmolens, of stampte het in vijzels en kookte het in potten en bereidde het tot koeken.
De smaak ervan was als van oliegebak. Het had dus een hele fijne en goede smaak, van baksel in olie. Dit spreekt van de werking van de Persoon van de Heilige Geest, waarmee de Heer gezalfd was en verzegeld en waarmee wij ook gezalfd en verzegeld zijn. Telkens wanneer ‘s nachts de dauw op de legerplaats neerdaalde, daalde ook het manna daarop neer. Maar als die smaak dus bedorven raakt en je alleen maar terugdenkt aan de lekkere dingen van Egypte, dat een beeld van de wereld is, dan ben je niet tevreden met het manna. Dat is dan ook weer een test voor het volk natuurlijk, maar het kan ook een test voor ons zijn. Zijn we tevreden met alles wat we vinden in het Woord van God, alles wat we vinden in de Persoon van de Heer?
In Psalm 78 wordt het manna zelfs brood van de engelen, of van de machtigen genoemd. Hij schonk hun hemelkoren, brood der engelen at ieder (vs. 25 NBG). Dat is een speciale uitdrukking. Misschien wijst dit erop dat de engelen zich ook heel intensief bezighouden met de Persoon van de Heer, als de Mens Die uit de hemel is neergedaald. Engelen hebben Hem gezien, nadat Hij Mens geworden was. En ze hebben al die belangrijke fasen van Zijn leven meegemaakt en Hem ook begeleid daarin. Brood der engelen. Welnu, als dit manna dus brood is, voedsel voor de engelen, voor machtige hemelwezens, zou het dan niet voldoende zijn voor ons om ons daarmee te voeden? Vader, dank voor deze gave: levensvoedsel, hemelbrood.
Laat het zo voor ons mogen zijn, zodat we niet met begeerte vervuld worden – zoals de Israëlieten – naar de dingen van de wereld, de dingen van het vlees. Maar laten we dankbaar zijn voor dit heerlijke hemelse brood, dit hemelkoren, dat Hij elke dag opnieuw aan ons wil geven om ons daarmee te voeden, om ons te sterken en te leiden op onze weg hier beneden.
Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.
Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is zijn en ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.
