Nieuwe en oude dingen – uit de schatkamers van Gods Woord (2)

19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament

De tekenen bij de roeping van Mozes

Leven en dood zijn in Gods hand

Exodus 3:6-14;
Exodus 4:1-12

Ik ben met u

We hebben gezongen: ‘Ik moet de Heiland met mij hebben, want ik kan alleen niet gaan’. We kunnen de wandel van het geloof en alles wat de Heer ons toevertrouwt, wat Hij van ons vraagt niet alleen verrichten. We kunnen niet in eigen kracht de weg gaan. God moet met ons zijn. Dat was met Mozes ook zo. Hij kreeg de verzekering van de Heere God, toen hij de opdracht kreeg het volk uit Egypte te leiden: ‘Voorzeker, Ik zal met u zijn’ (Ex. 3:12). In Exodus 3 vinden we de roeping van Mozes vanuit de brandende doornstruik.

Mozes brengt in deze hoofdstukken – Exodus 3 en 4 – allerlei tegenwerpingen naar voren, allerlei bezwaren; allerlei moeilijkheden ziet hij voor zich. En wat zou wel de reactie zijn van dit volk, dat hij uit Egypte moest leiden? Hij was er niet zo zeker van dat ze naar hem zouden luisteren. Veertig jaar hiervoor was Mozes veel zelfverzekerder. Want toen dacht hij: ze zullen wel begrijpen dat ik naar hen gestuurd ben om hen te helpen. Vanuit mijn positie aan het hof van de farao kan ik veel betekenen voor de Israëlieten. Maar dat liep helemaal mis. Toen Mozes dus in eigen kracht het volk te hulp wilde komen, kreeg hij grote problemen. We kennen de geschiedenis, hij heeft toen zelfs een moord gepleegd. Dat lezen we in Exodus 2. En de Israëlieten die hij wilde helpen zeiden: Wat hebben wij met jou te maken? Wie heeft jou tot leider en rechter over ons aangesteld?

In die situatie werd Mozes bang; en hij vluchtte voor de farao en zocht zijn toevlucht in het land Midian. Mozes was onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren, hij had daar een prachtige positie aan het hof en was ongetwijfeld welbespraakt. Hij kon heel goed zijn woordje doen, daar twijfel ik niet aan. Maar hier in Exodus 4 zegt hij: ‘Och Heere, ik ben geen man van veel woorden. Dat ben ik sinds jaar en dag al niet, zelfs niet vanaf het ogenblik dat U tot Uw dienaar gesproken hebt, want ik spreek onduidelijk en moeizaam’ (Ex. 4:10).

De veertig jaar bij de schapen van Jethro, die hij moest hoeden, hadden hem heel nederig gemaakt en heel afhankelijk van God. De Heere moest erop aandringen dat Mozes zou terugkeren naar Egypte: ‘Nu dan, ga, Ik zal Zelf met uw mond zijn en u leren wat u spreken moet’ (Ex. 4:12). Ik moet de Heiland met mij hebben: Ik zal Zelf met uw mond zijn.

Zoiets zegt de Heere Jezus ook tegen Zijn discipelen, wanneer ze te maken kregen met vervolging en voor de overheid konden worden gebracht. Dan zegt de Heer ook iets dergelijks: Wees maar niet bang, Ik zal je mond en wijsheid geven om op dat moment te antwoorden wat je zeggen moet. Hier zegt de Heere tegen Mozes: Ik zal Zelf met uw mond zijn en u leren wat u spreken moet. Dat is een heerlijke verzekering die de Heere geeft. Hij wil Zelf met ons zijn: ‘Voorzeker, Ik zal met u zijn. Ik zal met uw mond zijn, en u leren wat u spreken moet’. Dat is een heerlijke verzekering.

Maar dan moeten wij wel van Hem afhankelijk zijn. Daar ligt bij ons vaak het probleem, dat wij wel denken te weten wat goed is en wat wij moeten doen, wat redelijk is en wat de juiste weg is en wat wij moeten antwoorden aan de mensen met wie wij te maken hebben. Dan is het belangrijk om de dagelijkse afhankelijkheid van de Heer te praktiseren, om tegen Hem te zeggen: Ik weet eigenlijk niet wat ik moet doen. Of ik weet eigenlijk niet wat ik moet zeggen, hoe ik moet antwoorden. Wilt U maar met mijn mond zijn, wilt U mij maar leren wat ik moet spreken. Dan gaan we onze weg niet zelfverzekerd, maar in afhankelijkheid van de Heere.

De betekenis van de tekenen

Laten we vertrouwen op de heerlijke beloften die Hij hier geeft. Beloften die Hij aan Mozes gaf, maar die Hij ook aan ons wil geven. De Heere zegt: ‘Ik ben immers met u en Ik zal Zelf met uw mond zijn’. En Mozes krijgt eigenlijk nog een extra hulpmiddel van de kant van God, een extra handreiking. Want de Heere geeft hem ook een paar tekenen mee die hij zou mogen verrichten ten aanschouwen van de Israëlieten, opdat zij hem zouden aannemen als de door God gezonden verlosser, de leider van Zijn volk. De tekenen die Mozes hier kreeg, zeggen ook iets over de boodschap van het evangelie en de boodschap van het Woord van God in het algemeen.

De eerste twee tekenen zijn de staf die een slang werd, en de hand die Mozes in zijn boezem moest steken, dus in de richting van zijn hart.

Het derde teken volgt in Exodus 4:9, waar wij lezen: ‘En mocht het zijn dat zij zelfs deze twee tekenen niet willen geloven en niet naar uw stem willen luisteren, dan moet u water uit de Nijl nemen en dat uitgieten op het droge. Dan zal het water dat u uit de Nijl zult nemen, veranderen, ja, in bloed veranderen op het droge’. Dat is heel duidelijk een oordeelsteken. Het water was bedoeld om van te drinken en de mens levenskracht te geven, maar juist dat veranderde in bloed. Het was een duidelijk bewijs van het oordeel van God, zoals we dat verderop ook vinden in deze hoofdstukken.

We zien dit gebeuren in Exodus 7, want bij de eerste plaag werd het water van de Nijl in bloed veranderd. Het was dus ook bedoeld als teken voor de Egyptenaren. Het hield in: het oordeel komt eraan, je kunt niet meer drinken uit de Nijl, je kunt je dorst niet meer lessen. God is bezig de levensader van jullie natie af te snijden. Het levenswater verandert in bloed. De Nijl werd vereerd als één van de voornaamste goden van de Egyptenaren, maar God oordeelde die afgod door het water in bloed te veranderen. Dit is dus een teken van oordeel, dit derde teken. Maar het bekrachtigt ook de boodschap die wij als gelovigen hebben.

De boodschap die wij mogen uitdragen als christenen door middel van het evangelie, is allereerst een boodschap van genade en ontferming. Maar het is ook een boodschap van oordeel. Want als je niet gelooft, dan zal het oordeel van God toch komen, Zijn oordeelsdag nadert. De Heere Jezus redt ons van de toekomende toorn (1 Thess. 1:10). Maar als je die boodschap niet aanneemt, zal het oordeel je treffen. Dat is dus het derde teken, een oordeelsteken dat de boodschap van het evangelie moet bekrachtigen, evenals dit het geval was met de boodschap die Mozes had voor zijn volk.

Maar nu die eerste twee tekenen, die ook te maken hebben met de inhoud van Gods Woord, de inhoud van het evangelie dat we mogen verkondigen. En waarin de Heere ook met ons wil zijn, als we die boodschap uitdragen. In de roeping van Mozes zien we tevens allerlei eenvoudige, praktische lessen die wij ook ter harte mogen nemen. In Exodus 4:2 zegt de Heere tegen Mozes: ‘Wat hebt u daar in uw hand?’ Hij zei: Een staf. Zoiets kan de Heer ook tegen ons zeggen: Wat heb je in je hand, wat voor gave heb je? Wat heb Ik je geschonken, waarmee je Mij zou kunnen dienen?

Het is niet zo moeilijk, je hoeft niet ver te zoeken. Maar wat heb je van Mij ontvangen dat je kunt inzetten in Mijn dienst, wat heb je in je hand? Ben je dan bereid om dat te gebruiken voor Hem, om Hem te dienen? Mozes zei: Een staf. Het was een herdersstaf, die hij dagelijks moest gebruiken bij zijn werk om de schapen te hoeden en te weiden.

Een simpele staf. Die mocht hij inzetten in de dienst van God; en later wordt die staf niet alleen de staf van Mozes, maar de ‘staf van God’ genoemd. Als God die staf gaat gebruiken, dan wordt het Zijn staf: de staf van God. Dus als de Heer gebruik kan maken van de mogelijkheden die je hebt, wat je bezit of noem maar op, dan wordt het Zijn instrument. Dat is een belangrijke les voor ons. Maar de staf spreekt hier vooral van autoriteit, van een bepaalde positie die de mens mag innemen voor het aangezicht van God, een zekere waardigheid.

Maar wat is er gebeurd met de waardigheid, die de mens uit de hand van God had ontvangen? Dan moeten we teruggaan naar Adam en Eva en naar de val van de eerste mens. Ze hebben niet vastgehouden aan die oorspronkelijke positie die ze van God hadden ontvangen, maar hebben naar de satan geluisterd, naar de oude slang. En daardoor zijn ze in de invloedsfeer geraakt van de macht van de slang, van de boze. Als de staf hier op de grond valt, dan verandert hij in een slang.

Dus de positie, de waardigheid die de mens als schepsel van God uit Zijn hand had ontvangen, die heeft hij verloren en die is eigenlijk een prooi geworden van de macht van de slang. Van de macht van de satan, en daar zou je bang van worden. Mozes vluchtte ervoor weg; en als we de macht van de slang, van de tegenstander in deze wereld zien, dan zou je bang worden. Als u de krantenberichten leest en de uitspraken van ministers of van anderen over bepaalde dingen hoort, dan houdt dit in dat het ook voor christenen niet makkelijk zal worden in deze tijd, steeds moeilijker eigenlijk.

We zullen steeds meer een minderheid worden, die mogelijk ook met allerlei vormen van discriminatie en zelfs vervolging te maken zal krijgen. Die macht van de slang, daar word je bang voor, daarvoor ga je op de vlucht. We leven niet meer in een christelijk land, een christelijke maatschappij, en daarmee hebben we te maken natuurlijk. Maar wat zegt het evangelie nu eigenlijk?

Het is de blijde boodschap van zonde en genade. De boodschap van zonde en oordeel, maar ook van overwinning doordat die Ene gekomen is, de Verlosser, de Godsgezant. Hij kon zeggen: Ik ben die Ik ben, Ik ben de Eeuwige, God Zelf. Er is een Redder gekomen; en Mozes is eigenlijk ook een schaduwbeeld van Hem, onze Verlosser. Onze Heer heeft macht over de boze, Hij heeft de overwinning over de macht van de vijand behaald. Hij heeft die macht bedwongen, al bij Zijn leven op aarde, maar met name door Zijn opstanding uit de doden. Want Hij heeft de satan de doodsteek gegeven door Zelf in de dood te gaan en hem te overwinnen, die de macht over de dood had, dat is de duivel (Hebr. 2:14).

God zei tegen Mozes: ‘Strek uw hand uit, en grijp hem bij zijn staart’ (Ex. 4:4). Er is Iemand gekomen die macht heeft over de tegenstander, de duivel die de mens in het ongeluk gestort heeft. Dat is ook een onderdeel van de blijde boodschap, die wij mogen uitdragen in ons leven en ons getuigenis tegenover anderen. Er is Iemand Die machtig is om te verlossen, Die de sterke vijand heeft bedwongen. Hij is machtiger dan de slang, sterker dan de tegenstander.

‘Strek u hand uit, en grijp hem bij zijn staart’. Toen stak Mozes zijn hand uit en greep hem vast, en de slang werd weer een staf in zijn hand. Als wij inzien dat de macht over de vijand in handen is van onze Heer en Heiland, dat Hij de satan straks voor altijd teniet zal doen en hem zelfs onder onze voeten zal verpletteren, zoals Romeinen 16:20 zegt, dan mogen we ons helemaal aan Hem toevertrouwen en weten we ook zeker dat God met ons is.

Zo was het hier met Mozes, die dit teken kreeg voor de Israëlieten, ‘opdat zij geloven dat de Heere aan u verschenen is, de God van hun vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob’ (Ex. 4:5). Wat een grote bemoediging voor Mozes dat hij dit teken met zich mocht meedragen, zodat zijn woorden op een bijzondere manier werden bekrachtigd.

Nu horen we in deze tijd natuurlijk heel veel over wonderen en tekenen, die allerlei mensen verrichten, maar ik denk niet dat het de bedoeling is van dit Bijbelgedeelte om ons daarop te richten. Het gaat erom dat het een bevestiging is van de kracht van het evangelie. De blijde boodschap mogen we uitdragen; en of de Heer het zal bevestigen door tekenen, dat zal niet altijd zo zijn, dat geloof ik niet.

Aan de andere kant geloof ik wel dat God nog steeds wonderen kan verrichten, en dat Hij dit ook zal doen als het Hem behaagt. Maar we moeten ons richten op de inhoud van het Woord van God en de blijde boodschap, niet op bovennatuurlijke verschijnselen. Dat is dus het probleem van de macht van de vijand, van de tegenstander.

Maar er is nog een ander fundamenteel probleem, dat ook in het evangelie wordt aangesneden, waarvoor een oplossing wordt geboden in het Woord van God. En dat is niet de rol van de satan, maar het probleem van ons eigen zondige hart, het probleem van de zonde die in ons woont. Maar het evangelie heeft ook hiervoor een oplossing. En dat is de betekenis van het tweede teken dat Mozes meekreeg. Steek toch uw hand in uw boezem, want ‘als zij u niet geloven en niet naar de boodschap van het eerste teken willen luisteren, zullen zij toch wel de boodschap van het laatste teken geloven’.

Wat gebeurt er als je een beetje jezelf leert kennen, wie je bent, als het Woord van God je duidelijk laat zien dat je een zondaar bent, als je naar binnen kijkt en je hand naar binnen richt. Mozes ‘stak zijn hand in zijn boezem en haalde hem weer tevoorschijn, en zie, zijn hand was melaats, wit als sneeuw’. Helemaal melaats! Dat is er aan de hand: je hebt een zondig hart, maar ook een zondige hand. Je bent een verloren schepsel, helemaal melaats, helemaal aangetast door de zonde van binnen, maar ook door je zondige woorden en daden. Maar wil je dat inzien, wil je erkennen dat je een zondaar bent? Dat je een melaatse hand hebt en een verdorven hart hebt?

Toch is er een oplossing voor die melaatse hand, voor dat probleem van de zonde. Daarom zei de Heere tegen Mozes: ‘Steek uw hand opnieuw in uw boezem’. En hij stak zijn hand opnieuw in zijn boezem, en toen hij hem weer uit zijn boezem trok, zie, hij was weer als zijn overige vlees (Ex. 4:6-8). Wat een wonder. Wat een wonder van herstel en van reiniging! Ik moest onlangs denken aan een lied uit de bundel van Johannes de Heer, dat zegt: ‘Al zijn je zonden als scharlaken, ze zullen worden als witte wol’.

Want als je al je vertrouwen stelt op de Heere Jezus, als je met berouw en belijdenis van zonden tot God wilt gaan en wilt erkennen: Ja, ik ben inderdaad een zondaar, wanneer ik tot mezelf inkeer en inzie wie ik ben, zodra ik mijn hand in mijn boezem steek. Ik moet erkennen en belijden dat ik een verloren zondaar ben. Maar dan kan het wonder van de totale reiniging plaatshebben. Al waren mijn zonden zo rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol. Al is die hand helemaal aangetast door de melaatsheid, ze kan toch gereinigd worden. Ik mag een nieuw schepsel worden. Wie in Christus is, die is een nieuwe schepping. Het oude is voorbijgegaan, zie alles is nieuw geworden.

Het evangelie heeft dus ook de oplossing voor het probleem van de zonde die in ons woont. Dit dragen we nog steeds met ons mee, ook als gelovigen, want de zonde woont nog in ons.

Maar de zonde hoeft niet werkzaam te zijn, die hoeft niet actief te zijn. Want wij zijn met Christus gestorven en begraven. Wij zijn ook opgestaan in een nieuw leven. Doordat de Heilige Geest in ons woont, is het mogelijk dat Hij ons leidt en ons helpt om overeenkomstig de Geest te leven en te wandelen. Wij weten dat de volkomen verlossing van de zonde bij de terugkomst van de Heer zal plaatshebben. Maar in Hem zijn wij in principe al verlost, want wie in Christus is, die is een nieuwe schepping. Het oude is voorbijgegaan, alles is nieuw geworden.

Dat is de kracht van het evangelie, de kracht van het Woord van God dat fundamentele oplossingen biedt voor de nood van de mens. Mozes had deze boodschap voor de Israëlieten, die zuchtten onder de slavernij van de farao, de slavendienst in Egypte. Maar dat is een beeld van de slavernij van de zonde, waarvoor de Heer de oplossing heeft. Die oplossing kennen we gelukkig, we mogen ook persoonlijk weten dat we daaraan deelhebben. En deze blijde boodschap mogen we uitdragen in ons leven, in ons getuigenis. Zo gaan wij onze weg met de Heer: ‘Ik moet de Heiland met mij hebben. Dan is iedere last mij licht. Ik ken geen bange vrees of zorgen, ik wandel voor Zijn aangezicht’.

Ik zal Zelf met uw mond zijn, en u leren wat u spreken moet. Ik ben immers met u. De Heer geeft ons ook ons de blijde boodschap, die een oplossing biedt voor de verschrikkelijke problemen van de zonde, de dood en de macht van de satan. We mogen staan in de overwinning van de Heer. We weten dat wij een nieuwe schepping zijn in Hem en dat wij ook gered zijn van de komende toorn. Dit is de betekenis van het derde teken, en we mogen anderen waarschuwen voor het oordeel dat komen gaat. Maar Gods volk wordt uitgeleid: dat is een heerlijke verzekering. Wij hebben de verlossing door Jezus’ kostbaar bloed.

De bezwaren van Mozes

Kort nog een paar opmerkingen hierover. Want we hebben gelezen dat Mozes viermaal tegenwerpingen maakt. We lezen dat in Exodus 3 en4. Eerst zegt hij: ‘Wie ben ik, dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’ (3:11). En in hoofdstuk 4 zegt hij:‘Maar zie, zij zullen mij niet geloven en niet naar mijn stem willen luisteren, want zij zullen zeggen: De Heere is niet aan u verschenen’.

En eveneens:‘Och Heere, ik ben geen man van veel woorden’ (4:1, 10). En dan ben ik er nog één bezwaar vergeten: ‘Mozes zei tegen God: Zie, wanneer ik bij de Israëlieten kom en tegen hen zeg: De God van uw vaderen heeft mij naar u toe gezonden, en zij mij zeggen: Wat is Zijn Naam? Wat moet ik dan tegen hen zeggen?’ (3:13). Dat is dus viermaal dat Mozes bezwaar maakt en zegt: Ja, maar (…).

En we vinden het nog een vijfde keer in hoofdstuk 4, waar hij eigenlijk heel kort door de bocht zegt: ‘Och Heere, zend toch iemand anders’ (4:13). Geef mijn portie maar aan een ander. Pas dan lezen we dat de Heere boos wordt: ‘Toen ontbrandde de toorn van de Heere tegen Mozes’. Beste lezers, die vier keer hiervoor wordt de Heere niet eens boos! Hij is niet ongeduldig en laat niets van toorn merken, maar gaat uitgebreid in op de argumenten van Mozes. Wat een God hebben wij! ‘Ik moet de Heiland met mij hebben’, en wat een Heiland!

Maar we zien ook dat wij niet meer dan werktuigen in Zijn hand zijn. Wanneer wij iets zeggen in de trant van: Heer, nee hoor, dat moet iemand anders maar doen, volgens mij is daar wel een ander voor (omdat wij gewend zijn dat iemand anders zoiets doet). Dan denk ik dat wij de Heer, Die ons als Zijn werktuigen gebruikt, erg teleurstellen. Hij wordt niet teleurgesteld door onze kleinheid, bijv. als we zeggen: Heer, daar zie ik tegen op. Of Heer, daar ben ik niet geschikt voor. Als dat echt nederigheid is, wordt de Heer niet teleurgesteld. Dan zal Hij ons versterken en ons bemoedigen, zoals Hij dit met Mozes deed.

Maar op het moment dat je onder een plicht uit wilt, dat kan Hij niet accepteren. Dan zegt Hij het volgende – en laten we het maar lezen, want het is ook een les voor mij en voor ons allemaal: ‘En Hij zei: Aäron, de Leviet, is toch uw broer? Ik weet dat hij uitstekend spreken kan. Bovendien, zie, hij trekt u tegemoet’. God had het geregeld, het was helemaal voor elkaar. Aäron was al in aantocht.

‘Zodra hij u ziet, zal hij zich van harte verblijden. Dan moet u tot hem spreken en hem en de woorden in zijn mond leggen. Ikzelf zal met uw mond en zijn mond zijn en u leren wat u doen moet. En hij zal voor u tot het volk spreken. Dan zal het zó zijn: Hij zal voor u tot een mond zijn en ú zult voor hem tot een god zijn’ (Ex. 4:14-16). Mozes moest tegen Aäron zeggen wat er meegedeeld moest worden aan het volk. Aäron was de spreekbuis.

Wat een Heiland hebben wij! Laten wij oppassen om te zeggen wat er in ons hart zo makkelijk leeft: Die ander moet dit maar doen, dit is eigenlijk zijn portie! Als de Heer bij mij in het hart werkt dat er iets moet gebeuren, dan verwacht Hij dat ik dit ook doe. Als Hij ziet dat mij hiervoor essentiële dingen ontbreken, dan zal Hij daarin voorzien. Ik denk dat dit ook een les is, die wij uit deze schitterende geschiedenis mogen leren.

Nog iets valt op. Mozes krijgt drie wondertekenen, we hebben er uitgebreid bij stilgestaan. Hij krijgt die tekenen om duidelijk te maken dat God hem heeft gestuurd, maar aan wie? Aan het volk van God, het volk Israël. Maar voor zover ik weet, heeft hij ze ten opzichte van het volk Israël niet gebruikt; Aäron wel (4:30). Op een bepaald moment staat Mozes samen met Aäron voor de farao en dan lezen we dat hij het eerste wonder moet doen. Dan haalt hij het niet in zijn hoofd om te zeggen: Dit heeft de Heere mij bij de brandende doornstruik getoond. Nee, Aäron moet zijn staf op de grond gooien (7:8-10). God geeft opnieuw de opdracht en dan gebruikt Aäron het teken tegenover de farao.

U kent de geschiedenis, dan doen de geleerden van de farao hetzelfde, maar worden de staven, de slangen van de geleerden, opgeslokt door de staf van Aäron. Ik denk dat het belangrijk is om ons te realiseren dat al die extra wonderen die de Heer gaf, mogelijk in de eerste plaats waren bedoeld om Mozes te laten zien: ‘Mozes, Ik ben bij je. Let nu maar goed op, vertrouw Mij maar. Ga ervan uit dat Ik je zal helpen en dat Ik het zal doen, want Ik weet ook dat jij het zelf niet kunt’.

Broeders en zusters, zo is het ook met ons. De Heer heeft alleen maar zulke mensen, die het zelf eigenlijk niet kunnen. Maar Hij geeft de taken en zorgt ervoor dat wij over de capaciteiten beschikken op het moment dat het nodig is.

Zo is onze Heer. Hij heeft geduld en zegt: ‘Wat hebt u in uw hand?’
Er is nog zo’n mooie tekst, waarin staat: ‘Wat hebt u in uw huis?’

U kent dat wel, de geschiedenis van de weduwe bij Elisa, en de kruik olie. Ze had nog maar een klein beetje olie, en daarmee heeft ze allerlei vaten gevuld die ze van de buren had geleend. U kent dat verhaal. Wat hebt u in uw huis? Ik denk dat het heel belangrijke vragen zijn voor mij en voor u.

De Heiland zegt: Wat heb je in je hand? Wat heb je in je huis?
Wij moeten de Heiland met ons hebben.

Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.

Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is zijn en ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.

Vergelijkbare berichten