Nieuwe en oude dingen – uit de schatkamers van Gods Woord (13)

19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament

Eén kudde, één Herder

‘Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, zei tot hen: U weet niets, en u bedenkt niet, dat het nuttiger voor ons is dat één Mens sterft voor het volk en niet de hele natie verloren gaat.
Dit nu zei hij niet uit zichzelf, maar daar hij hogepriester in dat jaar was,
profeteerde hij dat Jezus zou sterven voor het volk;
en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook
de verstrooide kinderen van God
tot één zou vergaderen.’

Johannes 10:10-16; 11:50-52

De profetie van Kajafas

In deze ‘profetie’ wordt het geheim van Christus’ plaatsvervangend sterven voor Israël aangeduid en de eenheid van het nieuwe volk van God, de gemeente. Christus zou in de dood gaan allereerst voor het volk Israël, opdat niet de hele natie verloren zou gaan. Het voortbestaan van het volk van God stond op het spel, maar de dood van Christus – de Plaatsvervanger en de ware Hogepriester – garandeert een nieuwe toekomst. Zijn dood schenkt aan allen die geloven het eeuwige leven. Zij zijn de schapen geworden van de ene kudde van de Goede Herder, en als de Opgestane is Hij eveneens de Grote Herder van de schapen (Joh. 10:16; Hebr. 13:20).

Op de Grote Verzoendag werden er jaarlijks diverse offers gebracht om de relatie tussen God en het volk te bestendigen. Zonder offer en zonder de bemiddeling van de hogepriester was er helemaal geen toekomst voor Israël. Het bijzondere van Christus’ offerdood is dat de ware Hogepriester het offer van Zijn eigen leven bracht, een uniek offer dat nooit meer herhaald hoeft te worden. Dit onderwerp wordt uitvoerig belicht in de brief aan de Hebreeën.

Christus: barmhartige, trouwe Hogepriester én ware Zondoffer

Christus heeft hier op aarde als een barmhartig en trouw Hogepriester het verzoeningswerk voor de zonden van het volk volbracht (Hebr. 2:17). Zijn bloed is de grondslag van het nieuwe verbond, waarbij God toezegt: ‘Ik zal hun tot een God en zij zullen Mij tot een volk zijn’ (Hebr. 8:10). Hij is het ware Zondoffer, waarvan het bloed in het hemelse heiligdom is gedragen en dat ook buiten de poorten van Jeruzalem heeft geleden. Hij heeft dit gedaan, ‘opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen’ (Hebr. 13:12).

Het bloed van Christus, de ware Hogepriester en het ware Offer, heeft het gelovige deel van het volk Israël apart gezet en gevrijwaard van het oordeel. In het boek Handelingen zien wij hoe dit in de praktijk gebeurde door het berouw en de bekering van een overblijfsel van de Joden en door hun doop op grond van de Naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden (Hand. 2:37-41).

Een volk voor Zijn Naam

In het boek Handelingen wordt de deur van het geloof opengesteld voor gelovigen uit de volken. Dit gebeurde eerst met de Samaritanen en daarna met de Ethiopische hoveling (Hand. 8). Vervolgens kwam Cornelius, een Romeinse centurio tot geloof, samen met zijn bloedverwanten en vertrouwde vrienden (Hand. 10). Hieruit trok de gemeente in Jeruzalem terecht de conclusie dat ‘ook de volken het woord van God hadden aangenomen’ (Hand. 11:1).

De prediking resulteerde al snel in de vorming van de eerste gemeente buiten het Beloofde Land: de gemeente in Antiochië, die grotendeels uit christenen – uit de heidenen – bestond (Hand. 11:19-26). De bekeerde heidenen hoefden zich niet door middel van de besnijdenis bij het Joodse volk te voegen. Er werd nu ook uit de naties door God een volk aangenomen ‘voor Zijn Naam’ (Hand. 15:14). Zij moesten zich echter wel houden aan de Noachitische geboden, die nog steeds universeel geldig zijn.

Gods oude volk en Gods nieuwe volk

Zo kon de apostel Paulus zijn werk onder de onbesnedenen voortzetten en het evangelie verder uitdragen onder de volken (vgl. Gal. 2). De bekeerde heidenen werden door God aangenomen als Zijn eigendom, als Zijn volk. ‘Ik heb veel volk in deze stad’, zei de Heer tegen Paulus toen hij werkzaam was in Korinthe (Hand. 18:10). Gods beloften van zegen voor Zijn oude volk zijn zelfs op hen van toepassing: ‘Ik zal in uw midden wandelen en u tot een God zijn en u zult Mij tot een volk zijn’ (Lev. 26:12; dit wordt geciteerd in 2 Kor. 6:16). God woont en wandelt te midden van Zijn volk, dat zich rondom Hem vergadert.

Het nieuwe volk van God is door genade geroepen. Zij zijn ook ‘vaten van barmhartigheid’, door God tevoren tot heerlijkheid bereid. Hij heeft hen geroepen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de volken. Zoals Hosea reeds had geprofeteerd: ‘Niet-Mijn-volk’ is veranderd in ‘Mijn volk’. De ‘Niet-geliefde’ is nu Gods ‘geliefde’. Wij zijn nabij gebracht en wij zijn zonen van de levende God geworden (Rom. 9:23vv.; 15:8-13; 1 Petr. 2:10).

Als een volk voor Gods naam zijn wij Zijn ‘eigen volk’, een ‘heilig volk’, een volk ten eigendom, opdat wij de deugden zouden verkondigen van Hem die ons uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht (1 Petr. 2:9). Wij zijn een ‘eigen volk, ijverig in goede werken’ (Tit. 2:14). Gods bedoelingen met het oude priestervolk bij de berg Sinaï gaan in vervulling in het nieuwe hemelse volk, dat aan Zijn Vaderhart is gebracht (Ex. 19:4-6).

Toekomstperspectief: zij zullen Zijn volk zijn

Toch zijn er ook beloften voor de toekomst. Allereerst zal de bedekking die over het hart van het natuurlijke Israël ligt, worden weggenomen, als het zal terugkeren tot de Heer (2 Kor. 3:15-16). In de eindtijd zal de profetie van Hosea voor een tweede keer in vervulling gaan. De aanneming van Israël zal het ‘leven uit de doden’ betekenen (Rom. 11:15).

Het herstelde Jeruzalem zal hier op aarde het middelpunt van alle naties zijn, evenals het hemelse Jeruzalem – de verheerlijkte gemeente – de troonzetel zal zijn van God en van het Lam. Na het Vrederijk breekt de eeuwige toestand aan. In de eeuwige toestand bestaat er geen onderscheid meer tussen Israël en de overige naties op aarde. De mensheid is dan niet meer verdeeld in volken. De tabernakel van God is namelijk ‘bij de mensen’ (Openb. 21:3).

In de huidige tijd zijn er nog drie groepen:

  • Joden
  • Grieken (volken)
  • de gemeente van God (1 Kor. 10:32)

De gemeente bestaat uit de gelovigen die geroepen zijn uit het Jodendom én uit het heidendom, om samen een nieuwe eenheid te vormen: één kudde, één volk, één huis, één lichaam.
Wat een voorrecht!

Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.

Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.

Vergelijkbare berichten