19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament
Kenmerken van een discipel (3)
Over het leven van Nicodemus en van Jozef van Arimathea
- Johannes 3:1-21;
- Johannes 7:50-53;
- Johannes 19:38-42.
Vorige week hebben we deel 2 kunnen lezen van Kenmerken van een discipel. We zijn toen ingegaan op het deel Delen in Zijn verwerping, met de focus op Joh. 7:50-53. Vandaag het laatste deel hiervan.
3. Met Hem begraven en opgestaan
Johannes 19:38-42
‘En daarna vroeg Jozef van Arimathea, die een discipel van Jezus was (maar in het geheim, uit vrees voor de Joden) aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg. En Nicodemus (die eerst ‘s nachts naar Jezus toe gekomen was) kwam ook en bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond. Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen doeken, met de specerijen, zoals het de gewoonte van de Joden is bij het begraven. En er was bij de plaats waar Hij gekruisigd was, een hof en in de hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand gelegd was. Daar nu legden zij Jezus vanwege de voorbereiding van de Joden, omdat het graf dichtbij was.’
De derde fase van het discipelschap
Dan volgt de derde fase van het discipelschap in Johannes 19, en komt het eigenlijk helemaal goed. Want hier wordt openlijk duidelijk waar Nicodemus staat, namelijk aan de kant van de verworpen Heiland (Joh. 19:39). Hier vinden we de begrafenis van de Heere Jezus. De profeet zegt: ‘Hij was bij de rijke in Zijn dood’ (Jes. 53:9). En dat zien we hier gebeuren.

God heeft niet toegelaten dat de Heere Jezus, nadat Hij het werk had volbracht, als een misdadiger zou worden begraven. Misschien in een massagraf, met meerderen. God heeft erover gewaakt dat dit niet is gebeurd. Hij heeft in het hart gewerkt van Nicodemus en van die andere discipel, Jozef van Arimathea, dat ze samen de Heer zouden begraven, dat ze het lichaam zouden wegnemen en Hem in het nieuwe graf van Jozef zouden neerleggen. We lezen hier dat Nicodemus, die eerst ’s nachts tot Hem was gekomen, kwam met een mengsel van mirre en aloë, ongeveer honderd pond.
Geloven – eerst in het geheim, uit vrees, maar dan…
Jozef van Arimathea was een raadsheer, een invloedrijk persoon. Hij was ook een discipel van Jezus, maar in het geheim, uit vrees voor de Joden (Joh. 19:38). Maar hij kwam naar voren juist op dit moment. God had dit in zijn hart gewerkt, zodat hij duidelijk liet zien waar hij stond, samen met Nicodemus. Ze vroegen aan Pilatus toestemming het lichaam van de Heer te mogen wegnemen van het kruis. Ze gaven de Heere Jezus een eervolle begrafenis. Opnieuw wordt hier eraan gerefereerd dat Nicodemus ’s nachts bij Hem was gekomen (Joh. 3). Maar hier komt hij niet meer in het geheim, maar gaat hij openlijk aan de kant van de gekruisigde en gestorven Heer staan.
Is iets te kostbaar om aan de Heer te offeren?
Nicodemus kwam met een mengsel van mirre en aloë van ongeveer 100 pond om het lichaam van de Heer te zalven. Dat moet een geweldig vermogen zijn geweest, want we lezen in Johannes 12 over de balsem die Maria bracht, dat één pond balsem van onvervalste, kostbare nardus ongeveer de waarde had van een jaarsalaris (driehonderd denaren). Maar Nicodemus kwam met een mengsel van honderd pond mirre en aloë. Is iets te kostbaar om aan de Heer te offeren? Is iets te groot om aan Hem te geven? Zingen we niet in een lied: ‘Nu wil ik heel mijn leven volkomen aan U geven, daar U mij eerst hebt liefgehad’. Hier vind je dus wat een discipel van de Heer kan doen, wat hij wil doen.

Weet u wat een goed werk is voor de Heer Zelf?
God had dit hier in het hart gewerkt van deze discipelen, Jozef en Nicodemus, om alles te doen wat nodig was om de Heer een eervolle begrafenis te geven. Het graf was een nieuw graf, dat Jozef van Arimathea had laten uithouwen in de rots, en Nicodemus kwam met die geweldig dure zalf. Is dat eerbetoon nu wel realistisch, honderd pond, zo’n geweldige rijkdom, om dat te offeren voor de Heer? We weten uit de Bijbel dat het eigenlijk maar voor twee dagen was, want op de eerste dag van de week stond Hij op uit de doden en liet Hij alles achter Zich: de linnen doeken, de specerijen, het was niet meer nodig. Voor twee dagen dus zo’n vermogen offeren voor de Heer? Wij zouden haast zoals de discipelen zeggen: Dit is toch eigenlijk te gek, je kunt het beter aan de armen geven. Maar dan zegt de Heere Jezus, als het gaat om de ene pond balsem van Maria: zij heeft een goed werk aan Mij gedaan. De Heer heeft dat bijzonder gewaardeerd. En weet u wat een goed werk is voor de Heer Zelf? Dat is als wij onze kostbaarheden aan Hem aanbieden.
Offeranden: Hem eren, Hem groot maken, Hem aanbidden
Dit geldt ook als wij met onze aanbidding komen als gelovigen, als wij met offeranden komen van lof en dank, van lofprijzing en aanbidding. Dat is ook zo kostbaar voor het hart van de Heer, en Hij noemt dit ook een goed werk dat wij kunnen doen aan Hemzelf. Dat wil zeggen: het is een goed werk aan Zijn Persoon, voor Hemzelf.
We kunnen allerlei goede dingen doen: we kunnen zieke mensen bezoeken, we kunnen arme mensen helpen, maar dat is nog geen goed werk aan Hem, aan de Heer Zelf. Een goed werk aan Hem, voor Zijn Persoon, dat is dat wij Hem eren, Hem groot maken, Hem aanbidden. Daarom komen we ook elke eerste dag van de week samen om de Heer groot te maken, om Hem onze offeranden aan te bieden. En niets is dus te kostbaar, niets is te groot voor Hem.
Wat Nicodemus en Jozef hier samen doen, dat is dat ze de Heer eren als de Gestorvene. Dat is eigenlijk wat wij ook op zondag mogen doen tijdens het breken van het brood en drinken van de wijn, dat wij de Heer gedenken, overeenkomstig Zijn wens: Doe dit tot Mijn gedachtenis. Dat wij denken aan Hem, zoals Hij Zichzelf heeft overgegeven, aan Zijn lichaam en Zijn bloed. Al die specerijen, al die kostbaarheden waren voor een gestorven Heiland.
En dan is er nog een bijzonderheid waar ik op wil wijzen. Dat is wat deze twee discipelen hebben gedaan, Jozef en Nicodemus, die nu duidelijk de kant van de Heer hadden gekozen. Zij hebben de Heer in het graf gelegd. Ik weet niet of u wel eens geluisterd hebt naar de cantate van Johann Sebastian Bach, waarin dit heel mooi tot uitdrukking wordt gebracht, als de dichter zegt: ‘Ik wil Jezus zelf begraven’. En dat is wat hier gebeurt, binnengaan in Zijn graf.
Met de Heer ondergaan in het watergraf en dan met Hem opstaan in een nieuw leven
Dit is nu precies ook wat in de doop tot uitdrukking wordt gebracht: met de Heer ondergaan in het watergraf en dan met Hem opstaan in een nieuw leven. Is dat niet geweldig? We zijn daarvan telkens getuige als we een doopdienst bijwonen, als jonge discipelen die wens hebben en die tot uitdrukking brengen: ze gaan in dat watergraf, maar daarna ze zijn ook weer opgestaan.

Twee discipelen, Jozef en Nicodemus, wat een geweldig voorbeeld geven ze ons. En hier is het volkomen duidelijk dat ze bij de Heer horen, dat ze Hem willen volgen en heel hun leven aan Hem willen toewijden. Alles wat ze bezitten, alle rijkdommen, stellen ze aan Hem ter beschikking. Want ze willen bij Hem horen, ze willen met die gestorven Heer neerdalen in Zijn graf. En dan ook verder met de Heer wandelen in nieuwheid van leven. Het is vaak op zondagmorgen dat ik eraan denk en dat ik de Heer bid: ‘Heer, wilt U geven op deze eerste dag van de week dat ik met U opsta in een nieuw leven, en een nieuw begin maak’.
Christus is geslacht als ons Paaslam
Christus is geslacht als ons Paaslam. Dat is het uitgangspunt, de gestorven Heer en Heiland. En dan mogen we met Hem wandelen in nieuwheid van leven, de hele week die voor ons ligt. En het hele leven dat nog voor ons ligt, nadat we een discipel geworden zijn van Hem. Het leven van deze twee discipelen is niet geëindigd in het graf. Ik heb al gezegd: dat duurde maar twee dagen, en toen stond de Heer heerlijk op uit de doden.
En ongetwijfeld hebben deze beide mannen verder nog een rol gespeeld te midden van de gelovigen. Ik geloof niet dat we daar verder iets over lezen, maar ik ga er zonder meer van uit. Dat ze niet in het geheim discipelen van de Heer zijn gebleven, maar openlijk op de Pinksterdag ervoor uitgekomen zijn dat ze Hem toebehoorden en dat ze zich toen hebben laten dopen. Dat zij dus gehoord hebben bij die drieduizend zielen, die op de Pinksterdag werden toegevoegd aan de eerste gemeente.
Opnieuw geboren worden – de eerste fase
Belijden met je mond – de tweede fase
Openlijk Zijn zijde kiezen – de derde fase
Opnieuw geboren worden, dat is de eerste fase. De tweede is te belijden met de mond dat je Hem toebehoort, dat Jezus Heer is. We kunnen ook aan Thomas denken, die heeft beleden: ‘Mijn Heer en mijn God’ (Joh. 20:28). En dan de derde fase, openlijk Zijn zijde kiezen om met Hem verder te gaan en een heel nieuw leven te beginnen. Nu vangt het nieuwe leven aan, een leven door Zijn dood bereid, een leven in Zijn heerlijkheid. Moge de Heer ons hiertoe genade geven.
Tot zover het laatste gedeelte van Kenmerken van een discipel.
Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.
Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is zijn en ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.
