19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament
Kenmerken van een discipel (2)
Over het leven van Nicodemus en van Jozef van Arimathea
- Johannes 3:1-21;
- Johannes 7:50-53;
- Johannes 19:38-42.
Vorige week hebben we deel 1 kunnen lezen van Kenmerken van een discipel. We zijn toen ingegaan op het deel opnieuw geboren worden, met de focus op Joh. 3. Vandaag deel 2.
2. Delen in Zijn verwerping
Johannes 7:50-53
‘Nicodemus, die ‘s nachts bij Hem gekomen was, die één van hen was, zei tegen hen:
Veroordeelt soms onze wet de mens, als zij hem niet eerst hoort en kennis genomen heeft van wat hij doet? Zij antwoordden en zeiden tegen hem: Bent u soms ook uit Galilea? Onderzoek en zie dat in Galilea geen profeet is opgestaan. En ieder ging naar zijn huis.’
Dan hebben we nu enkele verzen gelezen uit het slot van Johannes 7, die opnieuw over Nicodemus gaan. Daar zien we dat de Joden proberen om de Heere Jezus gevangen te nemen. Maar dat lukt niet volgens vers 46, want we lezen hier dat de dienaars van de overpriesters en farizeeën zeggen: ‘Nooit heeft een mens zó gesproken als deze mens’. De farizeeën dan antwoordden hun: ‘Bent u soms ook misleid?’ (Joh. 7:46-53).
Opkomen voor de Heer Jezus
We lezen dan over Nicodemus, die één van hen was, dat hij probeert om de Heer in bescherming te nemen. Hij probeert Hem te verdedigen en wijst op de noodzaak van een rechtvaardige rechtspraak. Want deze overpriesters en farizeeën waren vijandig gezind tegenover de Heer, zij wilden Hem gevangen nemen en doden. Dat lezen we diverse keren in dit evangelie. Maar de dienstknechten, die zij gestuurd hadden om Hem gevangen te nemen, kwamen met dit prachtige getuigenis terug: ‘Nooit heeft een mens zó gesproken als deze mens’. Is dat niet geweldig? Zijn wij ook onder de indruk van de woorden van de Heer, als we elke dag in de Bijbel lezen? Dringt het tot ons door, heeft het een uitwerking op ons? Kunnen we dan ook zeggen: ‘Nooit heeft een mens zó gesproken als deze mens’ ?

Er is niets wat met het Woord van God, met de Bijbel te vergelijken is. Petrus zegt dan ook in dit evangelie: ‘U hebt woorden van eeuwig leven. Waar zouden we naar toe moeten gaan?’ (Joh. 6:68). Woorden van eeuwig leven, er is werkelijk niets dat hiermee te vergelijken is. De farizeeën verwerpen dat getuigenis van de dienstknechten. Ze zeggen: Jullie zijn zeker ook misleid? Heeft soms iemand van ons, van de oversten of van de farizeeën in Hem geloofd? Maar deze menigte, die de wet niet kent, is vervloekt! Zij beriepen zich op hun kennis van de wet en ze keken neer op de massa van het volk, die in hun ogen verachtelijk was.

De tweede fase in het leven van een discipel
Maar dan neemt juist Nicodemus stelling voor de Heer. Het lijkt erop dat hij inderdaad geestelijk gegroeid is. Nicodemus, die vroeger ’s nachts naar Hem toe was gekomen, die één van hen was, zei tegen hen: ‘Veroordeelt onze wet soms de mens, tenzij zij eerst van hem hoort en weet wat hij doet?’ Hij nam het dus op voor de Heere Jezus. Hij zei: Jullie veroordelen Hem nu wel, maar je moet Hem ook de kans geven om Zichzelf te verdedigen. Hij moet eerst, zoals dat in een rechtvaardig proces gebeurt, de kans krijgen om aan het woord te komen. Hij moet de gelegenheid krijgen Zichzelf te verdedigen. We moeten van Hem weten wat Hij doet.
Nicodemus zegt hier niet openlijk: Ik hoor ook bij die mens. Dat zegt hij nog niet, zover is hij nog niet. Hij zegt niet: Ik ben ook een discipel van Hem. Maar dan loopt het gesprek verder en zeggen deze leiders: Er kan helemaal geen profeet uit Galilea komen. Uit dat Galilea van de heidenen, van de volken, zoals het bekend stond. Uit dit gebied dat zover verwijderd is van de tempel, waar de mensen zo onwetend zijn, daaruit kan helemaal geen profeet opstaan. En dan blijft het gesprek, het debat, eigenlijk onbeslist. Want ieder gaat naar zijn eigen huis.
De Heere gaan belijden
Maar het is fijn dat we hier zien dat Nicodemus het in deze situatie toch opnam voor de Heer. Je zou kunnen zeggen: dit is de tweede fase in het leven van een discipel, dat je de Heer gaat belijden. Misschien is die belijdenis nog zwak, maar het is wel belangrijk. Het is een stap vooruit. Als we opnieuw geboren zijn, als we de Heer kennen als onze Heer en Heiland, als Hij ons leven is, dan moeten we Hem ook belijden. Wie met de mond belijdt dat Jezus Christus Heer is en met het hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, die zal behouden worden.

Geloven doe je met het hart en belijden doe je met de mond
Geloven doe je met het hart en belijden doe je met de mond. Met de mond moeten wij dus Jezus als Heer belijden (Rom. 10:9-10). Doen wij dat? Wij doen het in een wereld die Hem niet kent, die Hem niet toebehoort, die Hem heeft buitengeworpen en naar het kruis heeft verwezen. Het belijden van de Heer, dat is niet altijd zo eenvoudig. We moeten voor Hem uitkomen, van Hem getuigen. Dat is wat nodig is op de weg van navolging van Hem, de weg van het discipelschap. We spreken dan over Hem en we laten niet alleen met onze woorden, maar ook door onze daden zien dat we Hem kennen, dat Hij de Heer van ons leven is.
Tot zover het tweede gedeelte van Kenmerken van een discipel. Volgende keer hopen we verder te kunnen gaan met deel 3:
Met Hem begraven en opgestaan
Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.
Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is zijn en ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.
