Nieuwe en oude dingen – uit de schatkamers van Gods Woord (10)

19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament

Het Koninkrijk der hemelen in vogelvlucht

Een overzicht van Mattheüs 13

‘Het koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een mens die goed zaad in zijn akker zaaide. Terwijl echter de mensen sliepen, kwam zijn vijand en
zaaide dolik midden tussen de tarwe en ging weg’.
Mattheüs 13:24-25

Inleiding

Als we spreken over verborgenheden in verband met de eindtijd, krijgen we helaas ook te maken met het verval van de belijdende kerk door de eeuwen heen en de grote afval van het geloof in de valse kerk van de laatste dagen, het grote Babylon (Openb. 17 en 18).

Als het volmaakte, geestelijke lichaam van Christus is de gemeente niet onderworpen aan menselijk falen, hoewel het onze individuele en gezamenlijke verantwoordelijkheid blijft om echt vast te houden aan het Hoofd (Kol. 2:16-19). Alleen zó kan de waarheid van het ene lichaam praktisch worden beleefd. Het lichaam is in zichzelf niet volmaakt, maar het Hoofd wel. En Zijn werk is volkomen, doordat Hij het lichaam vormt in overeenstemming met Gods raadsbesluiten en de werking van de Heilige Geest. 

Het lichaam van Christus – het huis van God

Bij de waarheid van het lichaam van Christus denken we dus allereerst aan de levenseenheid met Christus, die onverbrekelijk is, terwijl bij de gedachte van het huis van God meer onze menselijke verantwoordelijkheid voorop staat. De gemeente heeft gefaald in haar getuigenis en het huis van God is gelijk geworden aan een groot huis, met vaten tot eer maar ook tot oneer. Er waren namelijk toen al dwaalleraars binnengeslopen, want de apostel noemt enkele namen van mensen die de opstanding loochenden. Zulke ‘vaten’ waren niet bruikbaar voor de Meester van het huis (2 Tim. 2:16-21).

Elders spreekt Paulus over bouwlieden die met hout, hooi en stro – dus vergankelijk en brandbaar materiaal – hadden gebouwd op het vaste fundament dat de apostel zelf had gelegd (1 Kor. 3:9-17). De Heer Zelf heeft deze negatieve ontwikkelingen reeds voorzegd in de zeven (eigenlijk: acht) gelijkenissen van het Koninkrijk der hemelen (Matt. 13). Het gaat hier niet slechts om gelijkenissen, parabels, maar om verborgenheden, die alleen kunnen worden begrepen door ware discipelen van het Koninkrijk (Matt. 13:10-17; 34-35; 51-52). Dit komt doordat de Koning is verworpen door Zijn eigen volk en er een oordeel van verharding over de ongelovige natie is gekomen tot het herstel in de eindtijd (Rom. 11; 2 Kor. 3). 

Het omslagpunt vinden we in Mattheüs 11 en 12. De Heer erkent de band met het natuurlijke Israël niet langer (Matt. 12:46-50). Hij treedt voortaan op als de Zaaier van het Woord in de akker van deze wereld. In de gelijkenissen van Mattheüs 13 beschrijft Hij het resultaat van Zijn prediking, die Hij ook nog vanuit de hemel zou voortzetten door middel van Zijn dienstknechten op aarde[1].

De zaaier, de dolik, het mosterdzaad en het zuurdeeg

De eerste vier gelijkenissen tonen dat het Koninkrijk in zijn verborgen gedaante in onze tijd een vermenging zou gaan worden van goed en kwaad. De boze is namelijk ook actief en hij rooft het goede zaad weg (Matt. 13:19). Bovendien treedt hij ook op als een zaaier en hij zaait onkruid (of: dolik) midden tussen de tarwe. Zo ontstaat er een vermenging van ware gelovigen en naambelijders, die zal voortduren tot de oogsttijd, d.i. de tijd van Christus’ wederkomst.

In de derde gelijkenis of verborgenheid zien we dat het Koninkrijk in deze mengvorm een grote macht op aarde zou worden, een boom die ruimte biedt aan de vogels van de hemel. Maar de kerk zou geen aardse macht moeten begeren, want dat is in strijd met haar vreemdelingschap. Het ruimte bieden aan de vogels van de hemel spreekt van de activiteit van de boze, die het zaad van het Woord wegrooft (Matt. 13:31-32; vgl. 13:4; Openb. 18:2).

De vierde gelijkenis toont dat er ook innerlijk bederf zou zijn (Matt. 13:33), en dit gebeurt door toedoen van een vrouw – de valse profetes in Thyatira, volgens Openbaring 2:20. Het zuurdeeg is in het Nieuwe Testament steeds een beeld van moreel en leerstellig kwaad (zie 1 Kor. 5:6-8; Gal. 5:9). De drie maten meel spreken van de zuivere geopenbaarde waarheid, die wordt bedorven door valse leer. In de eindtijd leidt dit tot het ontstaan van de valse kerk, de grote hoer, het grote Babylon (zie Openb. 17 en 18).

De schat, de parel en het visnet

In de volgende drie gelijkenissen zien we meer de innerlijke kant van het Koninkrijk, namelijk de zaken die ondanks het verval toch van blijvende waarde zouden zijn voor de Koning, die nu nog verborgen is in het hemelse heiligdom (‘verborgen in God’, zegt Kol. 3:3-4). De schat in de akker en de parel van grote waarde spreken resp. van de gelovige rest uit Israël die verborgen aanwezig is, en van de gemeente die voornamelijk uit de volkerenzee maar ook uit het Joodse volk wordt bijeengebracht. Christus heeft de Zijnen gekocht met de dure prijs van Zijn leven en Zijn bloed.

De gelijkenis van het sleepnet toont het resultaat van de prediking van het evangelie van het Koninkrijk door de ‘broeders’ van de Koning in de tijd van de Grote Verdrukking (Matt. 25:31-46; Openb. 7:9-17). De vissers, de evangelisten, verzamelen de goede vissen in vaten. Dit gebeurt in feite ook in ónze dagen, doordat ware gelovigen door de prediking van het evangelie van Gods genade worden bijeengebracht in plaatselijke gemeenten en naambelijders worden geweerd. Het verzamelen in vaten staat in deze gelijkenis in tegenstelling tot het werk van de engelen, die zich in de voleinding van de eeuw alleen maar met het wegdoen van de bozen zullen bezighouden (Matt. 13:49-50).

De heer des huizes

De korte gelijkenis van de heer des huizes, die een discipel van het Koninkrijk der hemelen is geworden, sluit dit hoofdstuk af. Dit is een toevoeging aan de reeks van zeven verborgenheden in verband met het Koninkrijk, en het is een aansporing van Christus om uit onze geestelijke rijkdommen – die we bezitten in de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament – telkens weer nieuwe en oude dingen tevoorschijn te brengen (Matt. 13:51-52). Het accent ligt op de nieuwe dingen die door de Heer zijn onthuld en door de Geest zijn bekendgemaakt. In het Oude Testament vinden we vaak illustraties hiervan.


[1] Johannes de Heer heeft over de gelijkenissen van Mattheüs 13 ooit een mooi boek geschreven, getiteld ‘Het Koninkrijk der hemelen in vogelvlucht’ (Zoeklichtboekhandel, 1948). Hierin zet hij o.a. uiteen dat zuurdeeg nooit positief wordt geduid in de Schrift (zie boven). Zie ook W.E. Vine’s ‘Expository Dictionary of New Testament words’ onder het trefwoord Kingdom. Het Koninkrijk van God is meestal identiek aan het Koninkrijk der hemelen (waarover alleen Mattheüs spreekt), maar de termen zijn niet altijd verwisselbaar. Alleen ware discipelen kennen de verborgenheden van het Koninkrijk van God, dat vaak ook een moreel en geestelijk karakter heeft (Mark. 4:10-12; Luk. 17:20-21; Joh. 3:3; Rom. 14:17).

Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.

Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is zijn en ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.

Vergelijkbare berichten