19 Bijbelstudies over thema’s uit het Oude en Nieuwe Testament
‘Daarom is iedere schriftgeleerde die een discipel van het koninkrijk der hemelen is geworden, gelijk aan een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt’
(Mattheüs 13:52).
De boom en het water van het leven
Onze levensbronnen als gelovigen
‘Ook plantte de HEERE God een hof in Eden (…). En de HEERE God liet allerlei geboomte uit de aardbodem opkomen, begerenswaardig om te zien en goed om van te eten; ook de boom des levens, in het midden van de hof, en de boom van de kennis van goed en kwaad. Een rivier kwam voort uit Eden om de hof te bevochtigen. En vandaar splitste hij zich en vormde vier hoofdstromen’.
Genesis 2:8-10
De hof van Eden
Ergens in het tweestromenland, tussen de twee rivieren Eufraat en Tigris, lag volgens Genesis 2 de hof waarin God de eerste mens plaatste die Hij had geformeerd. Meestal spreken we over het ‘paradijs’. Dit woord is van Perzische oorsprong en betekent ‘lusthof’. Het komt maar een paar keer voor in het Oude Testament, onder andere in Hooglied 4:13. Die tekst heeft ook betekenis voor ons als gelovigen die behoren tot de gemeente.
Het gaat ons nu vooral om de geestelijke en symbolische betekenis van de paradijsrivier en de boom van het leven, zonder overigens afbreuk te willen doen aan de letterlijke en historische waarde ervan. De hof van Eden, de twee bomen en de sprekende slang zijn ongetwijfeld zintuiglijk waarneembare zaken geweest. Maar het is frappant dat de Bijbel niet slechts begint met het paradijs, maar ook ermee eindigt. In het laatste Bijbelboek vinden wij om zo te zeggen de tegenhanger van de hof van Eden: een hemels paradijs, het paradijs van God (Openb. 2:7).
Er zijn in het boek Openbaring zowel parallellen als contrasten met Genesis. Het is in het boek Openbaring nadrukkelijk niet het paradijs van en voor de mens, maar het paradijs van God Zélf. Het is Zíjn lusthof en het is een grote genade dat wij als Gods kinderen mogen delen in Zijn eigen vreugde. In dat paradijs van God kan de zonde niet meer binnendringen en is er ook geen plaats meer voor de duivel en de dood. Dit zijn dan overwonnen vijanden (1 Kor. 15:26; Openb. 21:4). Zelfs de boom van de kennis van goed en kwaad komt er niet meer voor (vgl. Gen. 2:9; 3:3 met Openb. 2:7; 22:2,14). Dat is heel opmerkelijk.
De conclusie moet wel zijn dat de mogelijkheid tot zondigen dan niet meer aanwezig is. Het geweten kan ons dan niet meer beschuldigen en aanklagen. Qua positie is dat nu al zo voor ons als christenen. Door het volbrachte werk van Christus zijn wij namelijk gezuiverd van besef van kwaad, d.i. van een slecht geweten (Hebr. 10:22). In Christus is dat onze positie vóór God, want in de verheerlijkte Heer zijn wij volkomen rein (vgl. Ef. 1:4-6).
Maar wij weten maar al te goed dat de praktijk vaak anders is, dat een gelovige na zijn bekering toch nog zondigt en dat zijn geweten hem dan aanklaagt. Dan is er belijdenis van zonde en schuld nodig om de praktische gemeenschap met God te herstellen. In het paradijs van God zal dat voorgoed voorbij zijn.

De ware boom van het leven is Christus Zelf
De beschrijving van de hof van Eden begínt met het geboomte dat de HEERE God uit de aardbodem deed opkomen (Gen. 2:9). De boom van het leven in het midden van de hof wordt daarbij apart vermeld, evenals de boom van de kennis van goed en kwaad. Daarna volgen enkele mededelingen over de paradijsrivier (Gen. 2:10). In de hof zelf ontsprong een rivier om die te bevochtigen en vruchtbaar te maken. Hij splitste zich daar in vier hoofdstromen en deze vier rivieren brachten vruchtbaarheid in de hele toenmalig bekende wereld. Vanuit de hof vloeide er een stroom van levend water naar de omringende landen.
Het is misschien niet toevallig dat de boom van het leven in Genesis 2 als eerste wordt genoemd en dan pas het levenswater. Logisch geredeneerd is de volgorde omgekeerd: zonder water kan er helemaal geen sprake zijn van boomgroei. Beide dingen, beide zegeningen in de schepping horen gewoon bij elkaar en zijn niet los verkrijgbaar.
Maar het accent ligt hier kennelijk op de boom van het leven, die een beeld is van Christus Zelf. Hij was de ware Rechtvaardige, de Mens die terecht gezegend was omdat Zijn vertrouwen volkomen op God gericht was (Ps. 1:3; Jer. 17:7-8). Hij was als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd. Christus is gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardiging (Rom. 4:25). Als de verhoogde Heer heeft Hij vanuit de hemel de Heilige Geest uitgestort hier op aarde. De Geest kon niet komen vóórdat Jezus verheerlijkt was (Joh. 7:39).
Christus en het levende water van de Geest
Christus en de Geest horen bij elkaar en zijn niet van elkaar te scheiden, evenals de boom en het water van het leven bij elkaar horen. Maar de nadruk valt in de Schrift allereerst op de Persoon van Christus (waarachtig Mens, en waarachtig God), en het werk dat Hij heeft volbracht hier op aarde. Dat is de basis voor de uitstorting van de Heilige Geest, Die gekomen is om Christus te verheerlijken. Als een milde regen, als een stroom van levenswater is de Geest op aarde neergedaald. Water is een bekend beeld van de Geest. Jesaja sprak er al over: ‘Want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal Mijn Geest uitgieten op uw nakroost en Mijn zegen op uw nakomelingen. Zij zullen uitspruiten tussen het gras, als populieren langs de beken’ (Jes. 44:3-4).
In Openbaring 22 is éérst sprake van de rivier van levenswater, die ontspringt uit de troon van God en van het Lam. Pas daarna lezen we over de boom van het leven: die staat niet alleen aan weerszijden van de rivier, maar ook midden op de straat die het nieuwe Jeruzalem doorkruist. De oorsprong van de rivier is echter de troon van God en van het Lam, d.i. de gestorven en opgestane Heer (vgl. Openb. 5). Het werk van Christus wordt hier dus aangeduid als de grondslag van de zegenstroom. De rivier ontspringt uit de troon van God én van het Lam. De Geest gaat uit van de Vader en van de Zoon, Die hier op aarde het Lam van God geworden is (Joh. 14:26; 15:26; 16:7).

In Openbaring 2:7 is uitsluitend sprake van ‘de boom van het leven die in het paradijs van God is’. Christus Zelf belooft hier aan de overwinnaars in de gemeente te Efeze, dat Hij hun hiervan te eten zal geven. Hier ontbreekt dus een beschrijving van de rivier; alle nadruk valt op de boom van het leven. De overwinnaars zullen bij de Heer zijn in de heerlijkheid en zij zullen zich met Hem mogen ‘voeden’. Hij heeft ons nu al het eeuwige leven geschonken; wij bezitten dat in Hem. Maar dan zal Hij Zélf ons erfdeel zijn en zullen wij vrij van Hem kunnen genieten. Christus is het Centrum van al Gods regeringswegen (vgl. Openb. 5:6), en ook van het paradijs van God. De toegang tot Hem kan niemand ons meer ontzeggen. Er is geen cherub met een flikkerend zwaard, die de toegang verspert. Met Christus te zijn, bij Hem te zijn, dat is verreweg het beste (Fil. 1:23).
Zo heeft de Heiland het Zelf ook beloofd aan de misdadiger die met Hem gekruisigd was: ‘Voorwaar, Ik zeg u, heden zult u met Mij in het paradijs zijn’ (Luk. 23:43). Het ongestoorde genot van de boom van het leven zou diezelfde dag nog zijn deel zijn in de hemelhof. Wat zal het zijn om voor altijd met de Heer te zijn! Het geloof in de gekruisigde Christus maakte voor deze man de toegang vrij. En dat geldt voor ieder die zijn vertrouwen stelt op de Heer Jezus Christus. De reiniging van zonde en schuld en de bekleding met de kleren van het heil openen de toegang tot het paradijs van God, zodat wij recht hebben op het eeuwige genot van de boom van het leven: ‘Gelukkig zij die hun lange kleren wassen, opdat zij recht hebben op de boom van het leven en zij door de poorten de stad binnengaan’ (Openb. 22:14).
Het water van het leven is voor ieder die dorst heeft
Nu nog iets wat betreft het water van het leven. Uit Genesis 2 blijkt dat de paradijsrivier niet slechts de hof bevochtigde, maar ook de toenmalige wereld van water voorzag. De rivier splitste zich in vier stromen. De Pison stroomde om het land Havila, ‘waar het goud is’. De Gihon stroomde om het land Cusj (Ethiopië). En de Tigris en de Eufraat voorzagen het hele tweestromenland van water (Gen. 2:10-13). De stroom van levend water vormde een verkwikking voor de hele aarde.
Zo is het ook in geestelijk opzicht. Het water van het leven voorziet niet alleen in onze eígen behoeften als gelovigen, maar het vloeit ook naar buiten toe om zegen te verspreiden. Het is niet alleen in onszelf een fontein van water, dat springt tot in het eeuwige leven, maar de stroom van levend water vloeit uit ons binnenste ook naar buiten (Joh. 4:14; 7:38). Er is genoeg water om een dorstige wereld te laven, Gods genadeaanbod is universeel.
In Openbaring 22 vinden wij dan ook een uitnodiging die gericht is aan ieder die dorst heeft. Johannes schrijft: ‘En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, het levenswater nemen om niet’ (Openb. 22:17). De rivier met levenswater stroomt niet alleen in de stad zelf, het Nieuwe Jeruzalem, om de inwoners daarvan te verkwikken. De zegenstroom reikt verder en is beschikbaar voor wie nog buiten is. Het heil in Christus is om niet verkrijgbaar. Alle dorstigen mogen komen tot de wateren en drinken (Jes. 55:1).
De vier stromen omspannen om zo te zeggen de hele wereld. Het zijn grote en snelstromende rivieren. De wateren barsten los en bruisen; dat komt tot uitdrukking in de namen van de eerste drie rivieren. Pison betekent ‘stroom’, Gihon wil zeggen ‘de bruisende’, en de Tigris (of: Hiddekel) ‘pijlsnel’. De naam Eufraat betekent mogelijk ook ‘vruchtbaar water’ – die betekenis is heel toepasselijk, aangezien het stromende water leven en vruchtbaarheid brengt. Hierdoor brengt de aarde jong groen voort, zaadgevend gewas en vruchtbomen (vgl. Gen. 1:11-12).
Wanneer wij kinderen van God zijn geworden en ‘geplant’ zijn in Gods hof, dan mogen wij vrucht dragen voor Hem (Rom. 7:4). Wanneer wij ‘gegeten’ hebben van de boom van het leven, d.i. Christus Zelf, dan hebben wij door Hem eeuwig leven ontvangen. Dan kunnen wij ook groeien in het geloof en in geestelijk opzicht vruchtbomen worden, die geplant zijn aan waterstromen. Het water van het leven is zoals gezegd een beeld van de levendmakende Geest, Die in iedere ware gelovige woont. De Geest lest niet alleen onze eigen dorst, maar doet ons ook vrucht dragen: vrucht voor God en voor de naaste. De vrucht van de Geest is volgens het Nieuwe Testament négenvoudig van aard: ‘(…) liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing’ (Gal. 5:22).
Met dank aan en met toestemming van dhr. H. Bouter overgenomen.
Deze bundel studies bestaat deels uit bewerkte toespraken, die de betreffende hoofdstukken begrijpelijk en goed leesbaar maken. Een bevriend echtpaar van dhr. H. Bouter, heeft de moeite genomen die uit te typen. Het is zijn en ons gebed dat Gods zegen zal rusten op dit werk.
