Het leven van Mozes-levenslessen voor nu (6)

Serie over het leven van Mozes als schaduwbeeld van Christus

Exodus 7 – De Heere grijpt in!

Als de mens Gods waarschuwende woorden niet gehoorzaamt, moet God spreken door Zijn oordeelsdaden. Dezelfde zon, die de sneeuw smelt, verhardt ook de klei. De plagen waren oorlogsverklaringen aan de Egyptische goden (Ex. 12:12). De tovenaars waren in het begin in staat om Gods wonderen te imiteren. Imiteren is een van de manieren om Gods werk te weerstaan, maar:

“Maar zij zullen het niet veel verder brengen, want hun dwaasheid zal voor ieder volstrekt duidelijk worden, zoals dat ook bij die twee het geval was”
(2 Tim. 3:9).

Zien, maar niet geloven

Droevig dat Israël Gods wonderen zag, maar Hem niet vertrouwde:

“Wij hebben gezondigd, evenals onze vaderen, wij hebben ons misdragen, wij hebben goddeloos gehandeld. Onze vaderen in Egypte hebben Uw wonderen niet opgemerkt; zij hebben niet gedacht aan Uw talrijke blijken van goedertierenheid, maar waren ongehoorzaam bij de zee, de Schelfzee”
(Ps. 106: 6,7).

Dat doet mij denken aan de Heere Jezus, waarvan Mozes sprak (Deut. 18:18), en Zijn wonderen (Mt. 12:38-42). Ook doet het mij denken aan Petrus, die deze profetie gebruikte (Hand. 3:22), en aan Stefanus zijn toespraak (Hand. 7).

Elke knie zal zich buigen

Het volk zal de tweede keer de Heere Jezus aanvaarden, en elke knie zal zich buigen:

“… opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader”
(Fil. 2:10,11).

“Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.
Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk”

(Rom. 11:25,29).

“Immers, zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja en in Hem amen, tot verheerlijking van God door ons”
(2 Kor. 1:20).

Plagen – tekenen en wonderen

Er zijn vier perioden van veel wonderen in de Bijbel. De eerste periode is in de tijd van Mozes. De tweede periode is in de tijd van Elia. De derde periode is in de tijd toen Jezus op aarde was. Er is nog een periode die ligt in de toekomst als de Heere deze aarde bezoekt met Zijn vreselijke oordelen en Zijn rechtvaardige toorn, omdat de mensen Zijn Woord en ook Zijn wegen afwijzen (Openb. 9:21).

De plagen die komen, waren al voorzegd aan Mozes (Ex. 3:19,20; 4:21). De Heere wist van tevoren hoe farao zou reageren. Hij wist al van die plagen af. Als farao zegt Wie is de Heere naar Wie ik zou moeten luisteren? Dan wil ik roepen: Pas op farao! Er is een zonde tot de dood (1 Joh. 5:16). Wij weten niet waar die grens ligt, maar als wij tegen de Heere vechten, dan vecht Hij terug (Jer. 22:5).

Tien plagen

Farao’s hart blijft erg hardnekkig (onvermurwbaar) (Ex. 7:14).
De Heere antwoordt met plagen (Ex. 7:1-6).
Het volk van Israël leed, omdat farao hardnekkig was en omdat hij niet wilde luisteren.
Het hadden geen 10 plagen hoeven te zijn, als farao zich bekeerd had.
Iedere plaag was nu ook een overwinning op een of andere Egyptische afgod (Ex. 12:12).

  1. Eerste plaag (Ex. 7:14-21). Water verandert in bloed. Bij de eerste plaag werd het water in bloed veranderd voor zeven dagen. Daardoor stierven ook de vissen. De Egyptenaren hielden van vis. Farao nam het oordeel niet ter harte (Ex. 7:23). De wet kwam door Mozes, de genade door de Heere Jezus. Zijn eerste wonder was ook rood. Hij veranderde water in wijn!

  2. Tweede plaag (Ex. 8:1-15). Kikkerplaag. De tweede plaag waren kikkers die overal waren. Mozes riep tot de Heere om genade, waarna niet alleen het water weer vers werd, maar ook de kikkers verdwenen. Toen de druk voor de farao verdween, maakte hij zijn hart weer onvermurwbaar.

  3. Derde plaag (Ex. 8:16-19). Muggenplaag. De Heere had tegen Mozes gezegd dat Aäron met zijn staf het stof van de aarde moest slaan, zodat het tot muggen zou worden in heel het land Egypte. De muggen zaten op mens en dier. Het is een van de laatste keren dat de tovenaars in beeld zijn. Zij konden het niet nadoen en zeiden: “Dit is de vinger van God!”, maar de farao verhardde zich opnieuw.

  4. Vierde plaag (Ex. 8:20-32). Steekvliegenplaag. De vierde plaag waren steekvliegen, die de Heere afzond op de farao, in het huis van de farao en in alle huizen van zijn dienaren en in heel het land Egypte. Wolken met steekvliegen, die de mensen en dieren gek maakten; zelfs de grond waarop zij stonden was vol steekvliegen. Iedere plaag werd erger. Vanaf dit moment werd Gosen, waar Gods volk verbleef, beschermd met een onzichtbaar scherm (Ex. 8:22). Wat mij opvalt is dat het volk niet tegen die farao opstond. Hij regeerde hen met angst. De Heere had de vis en een week lang het water aangetast.

  5. Vijfde plaag (Ex. 9:1-7). Veepest. Nu lagen het vlees en de melk onder Gods gericht. Het vee in het veld, de paarden, ezels, kamelen, runderen en kleinvee werden getroffen door een zeer zware pest. Al het vee van de Egyptenaren stierf, maar geen enkel dier van het Joodse volk stierf. Maar het hart van de farao bleef onvermurwbaar en hij liet het volk niet gaan.

  6. Zesde plaag (Ex. 9:8-12). Zweren. De volgende plaag waren zweren. Mozes en Aäron namen as uit de oven en strooiden die voor de ogen van de farao hemelwaarts. Heel het land Egypte werd tot stof, wat ernstige zweren veroorzaakte bij de mensen en de dieren en als puisten openbraken. Als je een steenpuist hebt wil je geen aanrakingen.

  7. Zevende plaag (Ex. 9:13-35). Hagel. De volgende plaag was de hagel die op alle mensen en dieren viel. De Heere gaf donder en hagel en vuur schoot naar de aarde. Het was zo heftig, want de hagel sloeg alles neer wat op het veld was, van mens tot dier en versplinterde alle bomen van het veld. Farao zei: “Ik heb deze keer gezondigd. De Heere is de Rechtvaardige.” Mozes vroeg aan de Heere om de hagel te stoppen. Mozes wist wel dat de farao en zijn dienaren de Heere niet vreesden (Ex. 9:30).

  8. Achtste plaag (Ex. 10:1-20). Sprinkhanenplaag. Dan de sprinkhanen. Het erge was, als zij naar hun Joodse buren keken zagen zij dat het leven gewoon door ging. Als de rechter doet de Heere, geen half werk. Vreselijk is het om te vallen in de handen van de levende God.

  9. Negende plaag (Ex. 10:21-29). Duisternis. Het is al een donker hoofdstuk en nu wordt het ook fysiek nog donker.

  10. Tiende plaag (Ex. 11:1-10). Dood van de eerstgeborenen. Bij de laatste plaag speelde de gehoorzaamheid een belangrijke rol. De Heere zei, dat zij zilver en goud moesten vragen van die Egyptenaren en zij gehoorzaamden weer. Zo zorgde de Heere ook dat zij voor hun werk betaald kregen. Voorheen was het een zware tijd voor Mozes. Nu werd hij verhoogd. (Ex. 11:3). Beiden kan een leider meemaken en bij beiden moet je ook goed opletten. Nog een keer gaat Mozes naar farao en vertelt hij hem dat alle eerstgeborenen zullen sterven, maar bij het Joodse volk zal er geen hond blaffen.

Instelling van het Pascha

Nadat Mozes farao verlaat, gaat hij naar het Joodse volk. Farao was nu in Gods handen. Mozes vertelde hen dat zij deze maand ook in gedachten moesten houden (Ex. 12:1-14). Vanaf dat moment werd de kalender ook vastgesteld. Dit was allemaal nieuw voor hen. Toen zei Mozes, dat zij een eenjarig mannelijk lam uit de kudde moesten halen en vijf dagen moesten inspecteren of het geen tekortkomingen had.

Je begrijpt, dat de kinderen van het lam, die bij hen in de hut kwamen, gingen houden als van een huisdier. Na vijf dagen moest de vader het lam slachten en het bloed op de deurposten doen en in de hut moest de familie het lam eten met hun kleding aan om direct te kunnen vertrekken. Weer de gehoorzaamheid, want als de engel het bloed zag, stierf de eerstgeborene niet (Ex. 12:25-27).

Die nacht sliep er niemand (Ex. 12:29). In alle Egyptische families stierf er wel iemand, daar waar het bloed niet gestreken was. Nu roept farao, na het verlies van zijn eerstgeborene: Ga weg! (Ex. 12:31,32). Allen verlieten Egypte met zilver en goud. De Egyptenaren waren blij dat zij vertrokken
(Ex. 12:35-39).

De Heere Jezus – ons Paaslam en de vervulling van het paaslam

Dit Paasfeest vierde Jezus later ook met zijn discipelen (Joh. 12:1,2; 13:1-17).
Die laatste vijf dagen werd Jezus in Jeruzalem geïnspecteerd en ondervraagd door de farizeeën, sadduceeën en Pilatus, die meerdere keren zei, dat hij niets vond.
De Heere Jezus is de vervulling van het paaslam en de vervulling van het feest.
Paulus schrijft aan de gelovigen over de Heere Jezus, als ons Paaslam:

“Verwijder dan het oude zuurdeeg, opdat u een nieuw deeg zult zijn. U bent immers ongezuurd, want ook ons Paaslam is voor ons geslacht: Christus”
(1 Kor. 5:7).

Zijn kostbare bloed – onze pleitgrond voor verzoening

Zijn kostbare bloed is de pleitgrond voor onze verzoening! Er mocht geen been van het paaslam gebroken worden (Ex. 12:46). Dat vervulde de Heere Jezus ook (Joh. 19:36).

Het Lam dat met vuur geroosterd en gegeten moest worden, is een beeld van dat Jezus Gods toorn op Zich nam (2 Kor. 5:21). Het moest ook gegeten worden met ongezuurd brood en bittere kruiden. Dat herinnert ons aan Zijn bittere lijden.

De gehoorzaamheid van Jozua’s ouders, die als eerstgeborene in leven bleef, kon later het volk in het beloofde land brengen. Jozua betekent, net zoals Yeshua: God redt.

Houd je sandalen aan, reis licht en laten ook wij gehoorzaam zijn aan Zijn Woord.

Met dank aan en toestemming van Johan Schep geplaatst. Zie ook: http://www.johan-linda.com.

Vergelijkbare berichten