Het leven van Mozes-levenslessen voor nu (5)

Serie over het leven van Mozes als schaduwbeeld van Christus

Mozes’ laatste bezwaren en zijn ontmoeting met Aäron en het volk

“Toen zei Mozes tegen de HEERE: Och Heere, ik ben geen man van veel woorden. Dat ben ik sinds jaar en dag al niet, zelfs niet vanaf het ogenblik dat U tot Uw dienaar gesproken hebt, want ik spreek onduidelijk en moeizaam”
(Ex. 4:10).

Het volgende excuus van Mozes is, dat hij zegt dat hij niet kan praten, terwijl Stefanus juist over Mozes zegt, dat hij een man was die machtig was in woorden en daden (Hand. 7:22). Paulus schreef: “Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik machtig” (2 Kor. 12:10). Mozes maakte de Heere tot een leugenaar, omdat hij de Heere niet geloofde:

“Wie gelooft in de Zoon van God, heeft het getuigenis in zichzelf; wie God niet gelooft, heeft Hem tot leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft het getuigenis dat God van Zijn Zoon getuigd heeft”
(1 Joh. 5:10).

De Heere zegt nu:

“Wie heeft de mens een mond gegeven?”
(Ex. 4:11).

Zijn laatste excuus is dat hij zegt: Stuur toch iemand anders… Maar dan wordt de Heere toornig en Hij zegt dat Aäron, zijn oudere broer, al onderweg is als zijn spreekbuis.

“Maar hij zei: Och Heere, zend toch iemand anders, door wiens hand U deze boodschap ook maar wilt zenden. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Mozes en Hij zei: Aäron, de Leviet, is toch uw broer? Ik weet dat híj uitstekend spreken kan. Bovendien, zie, hij trekt u tegemoet. Zodra hij u ziet, zal hij zich van harte verblijden”
(Ex. 4:13).

“De HEERE zei tegen Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging en ontmoette hem bij de berg van God en kuste hem. Mozes vertelde Aäron al de woorden van de HEERE, Die hem gezonden had, en al de tekenen die Hij hem opgedragen had.”
(Ex. 4:27,28).

Mozes ontmoet zijn drie jaar oudere broer Aäron, nadat Zippora en de twee jongens weer terug waren gegaan naar Midian. Ze gaan direct aan het werk

De Heere leidt Mozes. Voordat hij de eenzaamheid voelde, na het vertrek van zijn vrouw en jongens, kwam Aäron hem tegemoet. Ze omarmden en kusten elkaar. Zij zullen veel bij te praten hebben gehad. Mozes die een vol leven achter de rug had als prins en schaapherder, en Aäron die al zijn leven lang slaaf was:

Mozes vertelde wat de Heere aan hem geopenbaard had. Ik kan me voorstellen dat Aäron met open mond luisterde over die ontmoeting bij de brandende doornstruik. Het maakt niet uit wat voor struik het was, als God maar in die struik was. Dat principe moest Mozes leren (Gal 2:20):

“Ik ben met Christus gekruisigd en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God die mij heeft lief gehad en zich voor mij gegeven heeft.”

Toen ging Mozes – Exodus 4:18

Toen ging Mozes. Dat is een geweldig moment! Er lag een grote taak voor hem om een groot volk te verhuizen naar een ander land. Jethro geeft Mozes Gods zegen mee met de woorden: Ga in vrede. Toen vertrok Mozes en de staf van God ging met hem mee.

Pas later, nadat Jethro hoorde wat God voor Mozes en Zijn volk Israël gedaan had, namelijk dat de HEERE Israël uit Egypte geleid had, nam Jethro, de schoonvader van Mozes, Zippora, de vrouw van Mozes (nadat deze haar teruggestuurd had), met haar twee zonen mee naar Mozes in de woestijn, bij de berg van God, waar Mozes zijn kamp had opgeslagen.

Het is God door Mozes heen! Zo gingen zij naar het volk. Toen zij in Egypte aankwamen lieten zij er geen gras over groeien. Aäron sprak en er gebeurden tekenen voor hun ogen. Ik denk dat het dit keer toch Mozes was die alles aan het volk met tekenen vertelde. En het volk geloofde en aanbad de Heere.Wat een heerlijke bevestiging voor Mozes dat zij geloofden!
Als een man de Heere behaagt, dan gebeuren er fantastische dingen:

“Toen ging Mozes op weg, met Aäron, en zij verzamelden alle oudsten van de Israëlieten. Aäron sprak al de woorden die de HEERE tot Mozes gesproken had, en deed de tekenen voor de ogen van het volk. Het volk nu geloofde. Toen zij hoorden dat de HEERE naar de Israëlieten omgezien had en dat Hij hun onderdrukking gezien had, knielden zij en bogen zij zich neer”
(Ex. 4:29,30).

“Als de HEERE behagen schept in iemands wegen,
zal Hij zelfs zijn vijanden vrede met hem doen sluiten”

(Spr. 16:7).

Josafat leerde ons:

“In Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand tegen U kan standhouden”
(2 Kron. 20:6).

Het is zo belangrijk om gewillig te gehoorzamen en Hem te vertrouwen als Hij ons roept:

“Vertrouw op de HEERE met heel je hart,
en steun op je eigen inzicht niet.
Ken Hem in al je wegen,
dan zal Híj je paden rechtmaken”

(Spr. 3:5,6).

Exodus 5: 1-15 – Het eerste verzoek aan de farao

“Daarna kwamen Mozes en Aäron en zeiden tegen de farao: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Laat Mijn volk gaan om voor Mij een feest te vieren in de woestijn. Maar de farao zei: Wie is de HEERE, naar Wiens stem ik zou moeten luisteren door Israël te laten gaan? Ik ken de HEERE niet en ik zal Israël ook niet laten gaan.

Toen zeiden zij: De God van de Hebreeën is naar ons toe gekomen. Laat ons toch drie dagreizen ver de woestijn ingaan, zodat wij de HEERE, onze God, offers kunnen brengen; anders zal Hij ons treffen met de pest of met het zwaard.

Toen zei de koning van Egypte tegen hen: Waarom, Mozes en Aäron, houdt u het volk van zijn werk af? Ga naar uw dwangarbeid! Verder zei de farao: Zie, de bevolking van het land is nu al zo talrijk, zou u hen dan willen laten rusten van hun dwangarbeid? Daarom gaf de farao op diezelfde dag het bevel aan de slavendrijvers onder het volk en de voormannen ervan: U mag voortaan geen stro meer aan het volk verstrekken om de bakstenen te maken, zoals voorheen. Laten zij zelf maar stro gaan verzamelen. En het aantal bakstenen dat zij voorheen maakten, moet u hun nu ook weer opleggen. U mag daarvan niets afdoen, want zij zijn lui. Daarom roepen zij: Laat ons gaan! Laat ons offers brengen aan onze God! Het werk moet zo zwaar op die mannen drukken dat zij dat blijven doen en geen aandacht schenken aan leugenachtige woorden.

Toen vertrokken de slavendrijvers van het volk en de voormannen ervan en zeiden tegen het volk: Dit zegt de farao: Ik geef u geen stro meer. Ga zelf en haal voor uzelf stro, waar u het ook maar kunt vinden. Van uw werk gaat echter niets af. Toen verspreidde het volk zich over heel het land Egypte om stoppels te verzamelen in plaats van stro. En de slavendrijvers bleven aandringen: Lever het volle werk, de per dag opgelegde hoeveelheid, net zoals toen er stro was.

De voormannen van de Israëlieten, die de slavendrijvers van de farao over hen aangesteld hadden, werden geslagen. Men zei: Waarom hebt u niet, zoals voorheen, met het maken van bakstenen het u voorgeschreven aantal klaargekregen, zowel gisteren als vandaag? Toen kwamen de voormannen van de Israëlieten en riepen tegen de farao: Waarom behandelt u uw dienaren zo?”

(Ex. 5:1-15).

Er zijn perioden dat je leven van kwaad naar erger wordt. Mozes was Gods man, met Gods boodschap, op Gods tijd en hij pleitte bij farao, maar farao zei NEE, wat betreft het verzoek om het volk voor drie dagreizen te laten gaan. Hun slavenwerk werd daarna alleen maar zwaarder. Zij moesten zelf stro gaan verzamelen en toch hetzelfde blijven produceren.

Bij bakstenen moet ik ook denken aan het geestelijke. Gelovigen zijn immers ook levende stenen:

“…dan wordt u ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus”
(1 Pet. 2:5).

Exodus 5: 16-24 – Het gevolg…

“Stro wordt uw dienaren niet gegeven, en toch zeggen zij tegen ons: Maak bakstenen! En zie, uw dienaren worden geslagen, maar uw volk staat schuldig.

Maar hij zei: Lui bent u, lui! Daarom zegt u: Laat ons gaan! Laat ons offers brengen aan de HEERE! Nu dan, ga aan het werk! Stro wordt u niet gegeven, toch moet u hetzelfde aantal bakstenen leveren.

Toen zagen de voormannen van de Israëlieten dat het er slecht met hen voorstond, omdat men zei: U mag niets afdoen van uw bakstenen, van de per dag opgelegde hoeveelheid. Toen zij bij de farao weggingen, troffen zij Mozes en Aäron aan, die hen op stonden te wachten. En zij zeiden tegen hen: Moge de HEERE op u toezien en moge Hij oordelen, omdat u ons in een kwade reuk gebracht hebt bij de farao en bij zijn dienaren, door hun een zwaard in handen te geven om ons te doden.

Toen keerde Mozes terug tot de HEERE en zei: Heere, waarom hebt U dit volk kwaad gedaan? Waarom hebt U mij dan gezonden? Ja, vanaf het ogenblik dat ik naar de farao gegaan ben om in Uw Naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan en U hebt Uw volk helemaal niet gered.

Toen zei de HEERE tegen Mozes: Nu zult u zien wat Ik de farao zal aandoen. Voorzeker, door een sterke hand zal hij hen laten gaan, ja, door een sterke hand zal hij hen uit zijn land verdrijven”
(Ex. 5:16-24).

Mozes stort zijn hart uit bij God

Mozes had alles juist gedaan, maar de mensen die hij zo verlangde te dienen, vervloekten hem. Mozes leefde uit de eerste hand, want hij stortte zijn hart uit bij de Heere. Er was niemand, behalve God. Ik lees dat niet over Aäron. Hier zie je de eenzaamheid van een leider. Hij kiest ervoor om een deel van de oplossing te zijn. Hij gaat naar Degene die hem deze opdracht gegeven heeft.

Ik denk dat Mozes de tranen in zijn ogen heeft gehad. Problemen met farao en gehaat worden door Zijn volk. Waarom Heere? Dit vind ik lief van de Heere, namelijk dat hij de ruimte krijgt om zich te uiten. Hij weet immers hoe wij in elkaar zitten.

We zien hier in Mozes een schaduwbeeld van de Heere Jezus. Evenals bij Jozef, wees het Joodse volk hun leider de eerste keer af, maar aanvaardde hem de tweede keer. De Heere Jezus is de eerste keer afgewezen, maar bij de tweede keer zullen zij weeklagen en Hem zien die zij doorstoken hebben (Zach. 12:10).

Dan spreekt de Heere en vertelt aan Mozes, wat Hij zal doen met farao. De Heere gaf Mozes de bemoedigingen die hij nodig had en droeg hem op om naar zijn opdracht te gaan. De Heere lost niet ieder probleem onmiddellijk op, maar het is altijd te vroeg om het op te geven als je denkt dat je hebt gefaald, zelfs als je gehoorzaam bent geweest. Lees maar eens Jes. 55:8,9 en Jer. 29:11.

Exodus 6: 1-12 – Gesprek tussen God en Mozes

“Toen sprak God tot Mozes en zei tegen hem: Ik ben de HEERE. Ik ben aan Abraham, Izak en Jakob verschenen als God de Almachtige, maar met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest. Ook heb Ik Mijn verbond met hen gesloten om hun het land Kanaän te geven, het land van hun vreemdelingschap, waarin zij als vreemdeling verbleven. Bovendien heb Ik Zelf het gekerm gehoord van de Israëlieten, die de Egyptenaren voor zich laten werken, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.

Zeg daarom tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE. Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. Ik zal u redden uit hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en door zware strafgerichten. Ik zal u tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn. Dan zult u weten dat Ik de HEERE, uw God, ben, Die u uitleidt van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. Ik zal u brengen in het land waarvoor Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak en Jakob geven zou. Ik zal het u in erfelijk bezit geven, Ik, de HEERE. Zo sprak Mozes tot de Israëlieten, maar zij luisterden niet naar Mozes door hun moedeloosheid en de harde slavenarbeid.

Verder sprak de HEERE tot Mozes: Ga en spreek tot de farao, de koning van Egypte, dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten gaan. Maar Mozes sprak voor het aangezicht van de HEERE: Zie, de Israëlieten hebben niet naar mij geluisterd; hoe zou de farao dan wel naar mij luisteren? Bovendien ben ik niet welbespraakt. De HEERE sprak echter tot Mozes en tot Aäron en gebood hun naar de Israëlieten en naar de farao, de koning van Egypte, te gaan, om de Israëlieten uit het land Egypte te leiden.”

Exodus 6: 25-29 – God gebiedt – Mozes reageert

“Deze Aäron en Mozes zijn het tegen wie de HEERE zei: Leid de Israëlieten uit het land Egypte, ingedeeld naar hun legereenheden. Zij zijn het die tot de farao, de koning van Egypte, spraken om de Israëlieten uit Egypte te leiden. Deze Mozes en Aäron zijn het. Het gebeurde op de dag dat de HEERE tot Mozes sprak in het land Egypte, dat de HEERE tot Mozes sprak: Ik ben de HEERE. Spreek tot de farao, de koning van Egypte, alles wat Ik tot u spreek. Toen zei Mozes voor het aangezicht van de HEERE: Zie, ik ben niet welbespraakt. Waarom zou de farao dan naar mij luisteren?”

In deze laatste zin staat het woord waarom (Ex. 6:29). Waarom is het woord dat de Heere Jezus ook uitriep, op het kruis van Golgotha. Dat was toen Hij onze zonden op Zich nam (Mt. 27:45,46; 2 Kor. 5:21).

De Heere bepaalt Mozes bij zijn focus. Hij herhaalt vijf keer IK BEN. Dat is hoe de Heere Zichzelf noemde bij de doornstruik (Ex. 6:2,6,7,8,29). Snel zijn onze ogen en onze gedachten afgeleid. Als je focus niet gericht is op Jezus, dan kun je die donkere dagen, die van kwaad tot erger gaan, moeilijk overbruggen. Paulus leert ons om onaantastbaar te leven, vanuit onze positie in Christus (2 Tim. 4:14,17).

De Heere bepaalde farao erbij dat het volk niet van hem is, maar van de Heere. Hij zegt: Laat MIJN volk gaan en omdat zij van Mij zijn, behoren zij vrij te zijn.

In het volgende deel over Mozes, zullen we verder lezen over Gods ingrijpen om Zijn volk te bevrijden.

Met dank aan en toestemming van Johan Schep geplaatst. Zie ook: www.johan-linda.com

Vergelijkbare berichten