Serie over het leven van Mozes als schaduwbeeld van Christus
In deze nieuwe serie gaan we, door het leven van Mozes en de geschiedenis van het volk Israël nader te bestuderen, onderzoeken wat deze persoon en deze geschiedenis ons vandaag de dag aan lering en inzichten kan bieden.
Inleiding
Je moet een persoon altijd zien in de tijd waarin hij of zij geboren is.
Mozes werd Gods man voor die bepaalde periode van de wereldgeschiedenis.
Toen Mozes zijn ogen opende, kwam hij in een onvriendelijke wereld.
Wat ging hieraan vooraf? Jozef ging, als de elfde zoon van Jakob, als voorloper naar Egypte (Ps. 105:17-19). De Heere Jezus is onze Voorloper (Heb. 6:20). In Egypte bleef Jozef niet alleen in leven als slaaf of als gevangene, maar als de onderkoning. Toen er een hongersnood uitbrak, ging de hele familie, van toen nog zeventig mensen, naar Egypte, waar zij tot een groot volk werden. Dit was al voorzegd aan Abraham en Sara toen zij nog geen kinderen hadden (Gen 15:13-18).
In Ex. 1:7 staat 5 keer dat zij zich vermenigvuldigen.
Maar die groei baarde de nieuwe farao zorgen. Ze zouden te talrijk en misschien ook te machtig worden. Daardoor gaf de farao de opdracht om het volk zwaar te gaan onderdrukken.
Bij de geboorte van Mozes, hing de geschiedenis als een deur aan een scharnier.
Genesis eindigt met het sterven van Jozef, in Egypte, maar na 350 jaar kwam dan Exodus in zicht.
Exodus
Exodus betekent uitgang, uittocht of vertrek.
Dat was ook het onderwerp van de Heere Jezus:
“Zij verschenen in heerlijkheid en spraken over Zijn heengaan, dat Hij zou volbrengen in Jeruzalem” (Luk. 9:31).
De schrijver van het Bijbelboek Exodus is Mozes en we beginnen te lezen bij Exodus één.
In het Hebreeuws wordt het boek Exodus Shemot genoemd, wat “Namen” betekent.
Het is erg bemoedigend dat de Heere Jezus ons allen bij name kent:
“Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen zijn stem, en hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten” (Joh. 10:3).
Exodus 1
De eerste zin van Exodus begint in het Hebreeuws met ‘ve ēllê’, wat ‘En’ betekent.
Zo begint het boek dat het vervolg is van Genesis, het boek dat begon met “In het begin…” en eindigde met een (doods)kist in Egypte. De Israëlieten kwamen in het land Egypte als herders, maar zij waren slaven geworden. Toch eindigde het hier niet mee; de verlossing was aanstaande. God is de goede Herder en Hij maakte plannen om hen uit het land van slavernij te halen.

Zo is ook het sterven van de Heere Jezus niet het einde, want na drie dagen is daar de opstanding die ons een levende hoop biedt:
“Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons, overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid, opnieuw geboren deed worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden” (1 Pet. 1:3).
God openbaart Zich in Exodus als de grote ‘Ik Ben’, dus niet: Ik was of Ik zal zijn. Hij is de God Die op dit moment beschikbaar is voor ons, en er ook altijd zal zijn.
Een nieuwe leider
Wij weten dat leiders komen en gaan. Zij waren van een vrij kleine familie, tot een groot volk geworden (Ex. 12:37; Num. 1:46). Een nieuwe koning regeerde in Egypte, en de strijd, die begon in Gen. 3:15, gaat, ook tot op heden, door:
“En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw,
en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht;
Dat zal u de kop vermorzelen,
en u zult Het de hiel vermorzelen.”
De farao wordt niet bij name genoemd. Hij werd beïnvloed door satan. Hij kreeg een gedachte in zijn hart om het Joodse volk te onderdrukken. Maar het volk vermenigvuldigde zich onder de druk van die farao. Het lijden onder het regime van farao, ontwikkelde hen tot een groot volk (Gen. 46:3).
De Heere is bij machte om zelfs een vloek te veranderen in een zegen (Deut. 23:5).
Alles wat farao overdacht werkte averechts, want hij vocht tegen God (Jer. 22:5).
De farao werd geïnspireerd door de duivel, wilde hen gescheiden houden en als slaven, maar de Heere gebruikte ook hem, zodat het volk naar bevrijding hunkerde om terug te gaan. God spot met de macht van farao en Hij maakt de wijsheid van de wereld uiteindelijk tot een dwaasheid. “… maar de HEERE, uw God, heeft de vloek voor u in een zegen veranderd, omdat de HEERE, uw God, u liefhad” (Deut. 23:5).

Wanneer we aan deze farao denken, komt satan in gedachten:
“De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en verloren te laten gaan…” (Joh. 10:10a).
Satan wil dat wij slaven zijn van de zonde(n). Precies zo was het handelen van die nieuwe farao. Hoe geweldig is het als wij ervan bevrijd worden:
“En stel uw leden niet ter beschikking aan de zonde als wapens van ongerechtigheid, maar stel uzelf ter beschikking aan God, als mensen die uit de doden levend geworden zijn. En laat uw leden wapens van gerechtigheid zijn voor God” (Rom. 6:13).
Belofte aan Abraham
Dat Abraham zijn nakomelingen een lange tijd onderdrukte vreemdelingen zouden zijn, was door de Heere aan Abraham al voorzegd, vóórdat hij kinderen had:
“En het gebeurde, toen de zon bijna onderging, dat er een diepe slaap op Abram viel. En zie, een grote, schrikwekkende duisternis viel op hem. Toen zei God tegen Abram: Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken. Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken” (Gen. 15:12-14).
En generaties later bleek dit ook met een terugblik op die periode van onderdrukking:
“De verblijfsduur van de Israëlieten, de tijd dat zij in Egypte gewoond hadden, was vierhonderddertig jaar. En het gebeurde na verloop van vierhonderddertig jaar, op deze zelfde dag gebeurde het: alle legers van de HEERE zijn uit het land Egypte vertrokken” (Ex. 12:40, 41).
God vergeleek Egypte ook met een brandende fakkel (Gen. 15:17; Deut. 4:20).
Leven naar de hogere wet van God

De bevrijding van het Joodse volk begon met twee vrouwen, van wie hun naam genoemd wordt, namelijk Sifra en Pua. Het waren godvrezende vrouwen waar farao mee in contact kwam. Zij kozen voor het leven. Wij zien hier voor het eerst dat er niet naar de wetten van het land werd geluisterd, omdat zij leefden met de hogere wet van God, zoal ook Petrus dat vele jaren later zei:
“Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen” (Hand. 5:29).
We zien dit ook bij Daniël en zijn drie vrienden die de Heere God vreesden (Dan. 1:3-8):
“Daniël nu nam zich in zijn hart voor zich niet te besmetten met de gerechten van de koning of met de wijn die hij dronk. Daarom verzocht hij het hoofd van de hovelingen of hij zich niet zou hoeven te verontreinigen” (Dan. 1:8).
Het is ook mogelijk dat die twee vroedvrouwen niet logen, toen ze zeiden dat de Hebreeuwse vrouwen niet zoals de Egyptische vrouwen waren, omdat zij sterk waren en al gebaard hadden, voordat er een vroedvrouw bij hen aangekomen was. De Heere beschermde hen en gaf hen een wonderlijke beloning van een gezin met eigen kinderen:
(Ps. 127:3).
“Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit. De vrees houdt immers straf in, en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde” (1 Joh. 4:18).
Net als de ouders van Mozes, vreesden zij de farao en zijn uitgevaardigde wetten niet:
“Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang door zijn ouders verborgen, omdat zij zagen dat het een heel bijzonder kind was. En zij waren niet bevreesd voor het bevel van de koning” (Hebr. 11:23).
Niet bevreesd voor de koning, werd Mozes verborgen
Alle kinderen van Israel waren slaven onder de vreselijkste omstandigheden. Amram en Jochebed trouwden in die omstandigheden en kregen twee kinderen: Mirjam en Aäron. Toen kwam het gebod van de farao dat alle pasgeboren jongetjes verdronken moesten worden. Ik denk dat Amram en Jochebed wel voor een dochter baden, maar het werd een jongen. Toen zijn moeder Mozes zag, wist zij dat het een jongen met een bestemming was (Hand. 7:20).
Wat mij opvalt, bij het lezen van Exodus 2: 2-10, is dat er veel vrouwen een rol speelden bij de start van het leven van Mozes: eerst de vroedvrouwen, dan moeder Jochebed. Natuurlijk de dochter van de farao en haar slavin, die het mandje opendoet en uit het water haalt. De naam Mozes betekent ook: uit het water gehaald. Vervolgens is daar de zus van Mozes, Mirjam, die de wacht houdt bij haar broertje en hem bij zijn eigen godvrezende moeder terugbrengt. Niemand kan de plaats van een moeder innemen.
Natuurlijk stemde vader Amram er ook mee in, om hun kindje Mozes drie maanden verborgen te houden. Het was een groot geschenk voor Mozes, dat hij godvrezende ouders had:
“Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang door zijn ouders verborgen, omdat zij zagen dat het een heel bijzonder kind was. En zij waren niet bevreesd voor het bevel van de koning” (Hebr. 11:23).
Mogelijk baden zijn ouders dit gebed:
“Tot U, HEERE, hef ik mijn ziel op, mijn God, op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden” (Ps. 25:2).

Zij kregen inzicht om een mandje (arkje) te maken. Het mandje, kistje of ark, is in het Hebreeuws Aron en pek, kappar, betekent verzoening. De redder van een volk lag in dat mandje en werd in de Nijl, de ‘plaats van de dood’ gelegd. Zij vertrouwden het kind toe aan de Heere. Dit spreekt van een groot geloof. Wat mooi is voor God, kan niet verborgen blijven, en het geloof biedt altijd de middelen.
Daar kwamen niet de soldaten van de farao, maar op het juiste moment en op de juiste plaats, kwam de dochter van de farao bij de rivier (Ex. 2:7-10). Opeens zien zij dat mandje en een slavin opende het mandje. De baby begon te huilen en de tranen van die baby wekten medelijden en vertederden het hart van die dochter van de farao, de prinses. Mirjam stond klaar en vertelde hen dat zij wel iemand wist die zijn voedster wilde zijn. De moeder van Mozes werd gezien als voedster. Dat speelden zij goed, zodat zij niets door hadden. Zijn moeder werd ervoor betaald. Bijzonder dat de toekomstige verlosser en rechter van Egypte, zijn opleiding ontving van farao:
“En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren en was machtig in woorden en in daden” (Hand. 7:22).
Exodus 1:22 – moord op pasgeboren jongetjes

De wet werd erger, want de Egyptenaren moesten voortaan opletten als een Joodse vrouw in verwachting was. Als de baby uiteindelijk kwam, en het was een jongen, dan moesten zij hem in de Nijl gooien. Bij een meisje hoefde dat niet.
Exodus 2 – een persoonlijk verhaal
Wat een verandering moet dat geweest zijn van een slavenhut met liefdevolle ouders, naar een groot paleis met allemaal vreemde mensen om je heen die je bedienen. Het kan zijn dat ook jijzelf zulke grote verandering meegemaakt hebt in je jeugd; dat opeens alles veranderde door emigratie, of door scheiding van je ouders. De herinnering aan de emigratie van ons eigen gezin, vanuit Nederland naar Brazilië, is mij mijn leven lang bijgebleven met alle avonturen en alle gevolgen van dien.
Mozes was de enige Jood die nooit slaaf was. Vandaar dat hij een vreemde eend was bij zijn volk. De Heere Jezus was de enige, die nooit slaaf was van de zonden.
Joodse wortels – wereldse opleiding
Wat denk je van de tranen van zijn moeder, die haar kind moest afstaan. Zij had hem lief als zijn moeder en alles geleerd wat zij wist over de Heere God en zijn Joodse wortels. Zij wist dat zij haar zoon daarna nooit meer zou zien, want zij stond alleen maar bekend als de voedster.

Wat Jochebed echter in Mozes gelegd heeft, dat heeft farao er nooit meer uitgekregen. Ik weet wat Linda, mijn vrouw, in de klein- en de achterkleinkinderen legt, wat betreft de geestelijke waarden.
Mozes werd de zoon van een andere vrouw, met andere normen en waarden. Hij kreeg de beste wereldse opleiding met als voornemen om de volgende farao te worden. Het was dan ook zijn Egyptische moeder, die hem de naam Mozes gaf, wat betekent: ‘Uit het water gehaald’. Het is bijzonder dat farao de opleiding betaalde van de komende verlosser, die Egypte onder Gods gericht zou brengen.
Hij Die in ons een goed werk begonnen is…
Tijdens mijn jeugd was het een ontdekking dat er een God is, die mij geweven had in de moederschoot:
“Want Ú hebt mijn nieren geschapen, mij in de schoot van mijn moeder geweven. Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken, mijn ziel weet dat zeer goed. Mijn beenderen waren voor U niet verborgen, toen ik in het verborgene gemaakt ben
en geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde. Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien, en zij alle werden in Uw boek beschreven, de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond. Daarom, hoe kostbaar zijn mij Uw gedachten, o God, hoe machtig groot is hun aantal” (Ps. 139: 13-17).
En dat die God mij ook kende en mij van vóór de grondlegging van de wereld heeft uitgekozen:
“…omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde” (Ef. 1:4).
Het mooie is ook dat de Heere nog niet klaar is, maar in ons een goed werk is begonnen:
“Ik vertrouw erop dat Hij Die in u een goed werk begonnen is, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus” (Fil. 1:6).
Volgende keer zien we hoe Mozes in een hele nieuwe situatie en omgeving, verder gevormd wordt door de Heere.
Met dank aan en toestemming van Johan Schep geplaatst. Zie ook: www.johan-linda.com
