Vindt de ‘Ezechiël-oorlog’ plaats
voor de grote verdrukking
na de grote verdrukking
of na het Duizendjarige rijk?
Hoe zit het nu: is de Ezechiël-oorlog nu voor de verdrukking, aan het einde daarvan of aan het einde van het Millennium?
De vraag die centraal stond in dit kleine onderzoek, was of Ezechiël 38 de oorlog aan het begin of aan het einde van de grote Verdrukking plaatst, of aan het einde van het Duizendjarige rijk.
Vanaf vers 1- 16 van hoofdstuk 38 leek alles erop te wijzen dat Gog Israël zou binnenvallen aan het einde van het Duizendjarige rijk. En vanaf vers 16 tot het einde van hoofdstuk 39 wees alles erop dat Gog dat zou doen aan het einde van de grote Verdrukking. Hoe kan dat? Is dit tegenstrijdig?
Dit lijkt tegenstrijdig als we ervan uit zouden gaan dat de profetie een enkelvoudige boodschap heeft. Maar dat heeft het niet altijd. Voor een geoefende Bijbellezer, is dit niet zo bijzonder. Wij zouden als mens graag van God horen hoe het nu zit: is het nu het ene of het andere; komt Gog nu voor de verdrukking, er na, of na het Duizendjarige rijk? Wij zouden het dan ook nog fijn vinden als in die twee profetieën ook zou staan wat de relatie van Gog is met de Antichrist.
De geoefende lezer weet dat God zijn profetieën dikwijls niet op die manier geeft. Profetieën laten zich vaak niet lezen als de krant van de toekomst. Dit maakt ook dat wij, die de profetieën bestuderen, dit heel zorgvuldig moeten doen. Waar we erg voor op onze hoede moeten zijn, is ook dat het beeld dat het eerst in ons hoofd ontstaat, of dat het meest logische lijkt, ons denken blokkeert of domineert.
Psalm 22 – Een psalm van David – een psalm over de Heer Jezus
Een voorbeeld waarin verschillende zaken door elkaar lijken te lopen in één profetie, vinden we in Psalm 22. Ogenschijnlijk lijkt deze psalm over David, die hem schreef, te gaan. Maar zonder dat dit wordt aangekondigd, gaat de tekst plotseling over naar een betekenis die verder gaat dan dat.
“Een psalm van David om voor te zingen. Van de hinde, die vroeg gejaagd wordt. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Ik kerm, maar mijne hulp is ver. Mijn God, bij dag roep ik, zo antwoordt Gij niet; en des nachts zwijg ik ook niet. Maar Gij zijt heilig, Gij, die onder de lofgezangen van Israël woont. Onze vaders hoopten op U; en toen zij hoopten, hielp Gij hen uit; tot U riepen zij en werden gered, zij hoopten op U en werden niet te schande” (Psalm 22:1-5).
De psalm begint met ‘mijn’ (enkelvoud) God (waarom heeft u mij verlaten). Daarna gaat het over ‘onze’ (meervoud) vaders die op God hoopten, alsof David de psalm niet alleen schreef. Hierna gaat de psalm in enkelvoud verder over wat op zowel David als op Christus kan slaan:
“Maar ik ben een worm en geen mens, een spot der lieden en ene verachting des volks. Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de tong uit en schudden het hoofd: Hij klage het den Heer, dat die hem helpe en hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft! Want Gij hebt mij uit den moederschoot getogen, Gij waart mijn toeverlaat, toen ik nog aan de borst mijner moeder lag; op U ben ik geworpen sinds mijne geboorte, Gij zijt mijn God van den moederschoot af” (Psalm 22:6-10).

Hierna gaat de focus steeds meer naar Christus:
“Wees niet verre van mij, daar de angst nabij en er geen helper is. Grote varren hebben mij omsingeld, sterke stieren hebben mij omringd: hunnen muil sperren zij tegen mij open, als een brullende en verscheurende leeuw. Ik ben uitgegoten als water, al mijn beenderen hebben zich van één gescheiden; mijn hart is in mijn lijf als gesmolten was. Mijn krachten zijn verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof van de dood neder” (Psalm 22:11-15).
Wie het evangelie kent, herkent hierin de zaken die hierna worden beschreven rondom de kruisiging. Onderstaande is nog maar moeilijk als een beschrijving van het leven van David, maar eenvoudig als die van Christus aan het kruis te zien, Die was omringd door de honden (heidenen):
“Want honden hebben mij omringd en een rot van boosdoeners heeft zich rondom mij gevoegd; zij hebben mijne handen en voeten doorboord. Ik kan al mijne beenderen tellen, en zij aanschouwen het en zien met wellust op mij. Zij delen mijne klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad. Maar Gij, Heer, wees niet verre, mijne sterkte, haast U om mij te helpen” (Psalm 22:16-19).
De ‘beesten’ omringen Christus, Hij is uitgegoten als water, Zijn dood; Zijn beenderen zijn (door het hangen ontwricht), Zijn dorst, Zijn dood; het lot dat werd geworpen over Zijn kleding enzovoort.
“Red mijne ziel van het zwaard, mijne enige uit de macht der honden. Help mij uit den muil van den leeuw, en red mij van den eenhoorn. Ik wil uwen naam mijnen broederen prediken, ik wil U in de gemeente roemen. Roemt den Heer, gij die Hem vreest; Hem ere al het zaad van Israël” (Psalm 22:21-24).
Zouden we de psalm lezen als de emotionele uitingen van David die worstelt met zijn gevoel dat God hem zou hebben verlaten, dan zouden we de details van de tekst niet begrijpen. Begrijpen we dat de Psalm voor een deel profetisch is, dan dringt zich wellicht de vraag op: waarom staat het er zo door elkaar geschreven? Gaat het hier nu om het moment van de geboorte van Christus (Gij zijt mijn God van de moederschoot af (dit kan niemand anders dan Jezus zeggen)). Gaat het om het moment dat God Christus neerlegt in het stof van de dood? Gaat het om het verzuchten van David dat hun voorouders wonderen van God verwachtten?
De profetieën over Gog en Magog gaat over één moment in de toekomst en over meerdere gebeurtenissen op verschillende tijden in de toekomst
Profetieën laten zich vaak op die manier lezen. Dat is ook het geval bij de profetieën over Gog en Magog. De tekst gaat van een profetie over één moment in de toekomst, naar meerdere gebeurtenissen op verschillende tijden in de toekomst. In het begin gaat het over de rol van Gog ná het Duizendjarige rijk en daarna gaat deze over Gog tijdens de grote Verdrukking. Slechts de context wijst ons de weg.
Waarom loopt dit zo door elkaar, heb ik mij dikwijls afgevraagd. Waarom profeteert God zo nadrukkelijk over de rol van Gog en Magog en over diens optreden aan het einde van het Duizendjarige rijk, om daarna verder te gaan met diens rol tijdens de grote Verdrukking?
Een verklaring die voor mij bevredigend is, is dat God Gog (Rusland en de mensen in zijn kielzog) nadrukkelijk waarschuwt. Hij waarschuwt hen die aan het einde van het Duizendjarige rijk in opstand willen gaan komen. Dat doet God door hen te wijzen op hun eerdere, vergelijkbare optreden bij Armageddon, aan het einde van de Verdrukking.
Dat doet God niet om Gog zelf te redden, maar de mensen die hij in zijn opstand wil meeslepen. Voor Gog zelf is er geen hoop: God Zelf is het die Gog de ‘haken in zijn kaken slaat’ om hem naar zijn bestemming in Israël te slepen. Gog haat God al veel eerder dan het moment dat de duivel in hem zal varen, als deze tijdelijk uit zijn gevangenis wordt vrijgelaten. Het is aan de mensen, die hij zal proberen te verleiden, om hem te weerstaan.
De mensen in het Duizendjarige rijk zullen onvoorstelbaar oud worden (Jesaja 65:20). De mogelijkheid bestaat dat er zelfs nog mensen zullen leven, die het zich zullen kunnen herinneren hoe Armageddon is verlopen. Zij zullen weten hoe onverstandig het was dat de landen van de wereld zich hadden laten verleiden aan het einde van de Verdrukking, zoals beschreven in Openbaring (16). Het zijn de mensen van de wereld en de volken die in deze profetie worden genoemd die gewaarschuwd worden voor Gog.

God waarschuwt hen hier op een manier die bijna niet duidelijker kan. De kinderen van Gog zullen zich schamen voor het feit dat de kennis, die hun ouders had kunnen redden, voor ze trokken naar (hun graf in) Israël, toen al voor hun neus in de Bijbel stond. God zal hen er in het Duizendjarige rijk op wijzen dat er over hun volk is geprofeteerd, dat ze die fout weer zullen maken. Er staat zelfs een afschrikwekkend herdenkingsmonument bij het graf van Gog in Israël dat herinnert aan de gevolgen van dien militaire inval aan het einde van de Verdrukking.
Helaas zullen velen er geen lering uit trekken. Er zijn altijd leiders die, ondanks alles, het volk weten te verleiden tot afval van hun geloof in God. Zo zullen er velen van Gog, geleid door de duivel, opnieuw deze kolossale fout maken en Israël weer aanvallen. Hopelijk zullen er ook velen zijn die als gevolg van het afschrikwekkende voorbeeld en de profetieën over Gog, die staan in deze teksten, dat niet doen. Laten we hopen dat zij weten wat er aan de hand is en wel de juiste keuze maken, dat zij naar het monument in het dal van Gog kijken, en zich er verre van houden om in opstand tegen God te komen.
De Ezechiël-oorlog voor de Verdrukking?
We hebben aan het begin van deze studie gesteld dat er uitleggers zijn die Gog en Magog (de Ezechiël-oorlog) zien als begin van de grote Verdrukking.
Dit idee dat Gog zijn legers tegen Israël verzamelt voor de Verdrukking is begonnen, is moeilijk te herleiden naar de teksten die we hier hebben gezien. We zagen telkens hoe Gog en Magog actief waren op twee momenten in de toekomst; niet op drie. De Ezechiël-oorlogen zijn enorme oorlogen. Ik ken geen teksten uit de Bijbel die beschrijven dat zo’n oorlog aan het begin van de Verdrukking zal plaatsvinden.
De Verdrukking begint ermee dat het witte paard van de Antichrist de wereld aan zich onderwerpt (Openbaring 6). Dit zal een militair element hebben; de ruiter krijg een boog en trekt uit om te overwinnen. Er zullen enorm veel mensen omkomen in het begin van de Verdrukking als gevolg van rampen, maar er wordt in het begin van de Verdrukking niet over een aanval op Israël van Gog en Magog gesproken.
Israël, zo hebben we gezien in het beeld van Openbaring (12) wordt gezien als de vrouw die vlucht naar de woestijn. Israël zal daar in de eerste helft van de Verdrukking zelfs redelijk veilig wonen. Pas na 1260 dagen neemt de Antichrist Jeruzalem in (Openbaring 11). Of Gog en Magog dan ook een rol spelen is niet uit de profetie te herleiden; Rusland is nu al aanwezig in het Midden-Oosten en het land is geen vriend van Israël. De kans is groot dat ze in het midden van de Verdrukking de Antichrist steunt in diens aanval op Jeruzalem. Waar het nu om gaat is dat we de profetie van Ezechiël (38-39) goed begrijpen. Er is geen aanwijzing voor een strijd van Gog en Magog aan het begin van de Verdrukking.
Waar komt dit idee dat Gog en Magog Israël zal aanvallen in de aanloop van de Verdrukking?
Mogelijk komt dit idee daaruit voort dat Jezus in Mattheüs zegt:
“U zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen; pas op, word niet verschrikt, want al die dingen moeten gebeuren, maar het is nog niet het einde. Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen hongersnoden zijn en besmettelijke ziekten en aardbevingen in verscheidene plaatsen. Maar al die dingen zijn nog maar een begin van de weeën” (Mattheüs 24:6-8).
Dit beeld van de weeën wordt door nogal wat uitleggers uitgewerkt. De weeën die voorafgaan aan de bevalling nemen niet alleen in heftigheid toe, maar ze volgen elkaar ook steeds sneller op. Dit idee wordt door uitleggers aangewend om te leren dat er een toename van natuurrampen, hongersnoden, ziekten en oorlogen zullen komen, die zullen uitlopen in de grote Verdrukking. Dit is ongetwijfeld wat Jezus ook bedoelt. Iedereen die echter een bevalling heeft meegemaakt weet ook dat er tussen de weeën in, steeds momenten zijn van rust. Hierop doelt Paulus waarschijnlijk als Hij schrijft:
“Want u weet zelf heel goed dat de dag van de Heere komt als een dief in de nacht. Want wanneer zij zullen zeggen: Er is vrede en veiligheid, dan zal een onverwacht verderf hun overkomen, zoals de barensweeën een zwangere vrouw, en zij zullen het beslist niet ontvluchten” (1 Thessalonicenzen 5:2,3).
De grote Verdrukking begint niet met een grote (Ezechiël-) oorlog. De Verdrukking begint op een moment dat de wereld dit het minste verwacht en als de mensen zullen zeggen dat er vrede en veiligheid is.
Paulus zegt dan, met de woorden waarmee we deze studie van Gog en Magog zullen afsluiten:
“Maar u, broeders, bent niet in duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen. U bent allen kinderen van het licht en kinderen van de dag. Wij zijn niet van de nacht en ook niet van de duisternis. Laten wij dan niet, evenals de anderen, slapen, maar laten wij waakzaam en nuchter zijn” (1 Thessalonicenzen 5:4-6).

Kees Middelbeek, augustus 2021
Met dank aan en toestemming van Kees Middelbeek geplaatst. Zie ook: https://www.mainstudies.com/
