Vindt de ‘Ezechiël-oorlog’ plaats
voor de grote verdrukking
na de grote verdrukking
of na het Duizendjarige rijk?
Ezechiël 39
In de eerste verzen van hoofdstuk 38 vonden we argumenten die erop wezen dat Gog Israël zou binnenvallen aan het einde van het Duizendjarige vrederijk. Hier in hoofdstuk 39 vinden we veel informatie die beter te begrijpen is bij het idee dat Gog Israël zal binnenvallen na de Verdrukking, dus voor het Duizendjarige rijk.
God zal zich aan zijn volk bekendmaken (Ez. 39: 1-5)
In de volgende tekst wordt erover gesproken dat God zich aan de heidenvolken als de Heilige zal openbaren, en dat Hij Zich zal bekendmaken aan Zijn volk Israël. Dit idee is in de besproken hoofdstukken van Ezechiël nog niet eerder aan de orde geweest:
“En u, mensenkind, profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal! Ik zal u omkeren, u meeslepen, u doen optrekken uit het uiterste noorden en u op de bergen van Israël brengen, maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.
Op de bergen van Israël zult u vallen, u en al uw troepen, en de volken die met u zijn. Ik heb u aan allerlei soorten roofvogels en aan de dieren van het veld tot voedsel gegeven.
Op het open veld zult u vallen, want Ík heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE. Ik zal vuur zenden in Magog en onder hen die onbezorgd de kustlanden bewonen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben. Ik zal Mijn heilige Naam te midden van Mijn volk Israël bekendmaken en Mijn heilige Naam niet langer laten ontheiligen. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, de Heilige in Israël” (Ez. 39:1-7).
Wat betekent het dat God zich als de heilige zal betonen aan de heidenvolken en Zich zal bekendmaken aan Zijn volk?
Is dit aan het einde van het Millennium of aan het einde van de Verdrukking?
Paulus schrijft over het moment dat God Zich zal openbaren aan de Joden:
“Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan. En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob” (Romeinen 11:25,26).
Paulus zegt dat, als (in het midden van de Verdrukking) de volheid van de heidenen (de antichrist in de tempel) is binnengegaan, dan heel Israël zalig (behouden) zal worden.
Zacharia profeteerde over dat moment:
“Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als met de rouwklacht over een enig kind; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene” (Zacharia 12:10).
God zal, in (de tweede helft van) de verdrukking, over de inwoners van Jeruzalem de geest van gebed uitstorten en zij (Jeruzalem-Israël) zullen over Christus, als Hij (drie-en-een-half jaar later, aan het einde van de Verdrukking) komt, bitter klagen. Ze zullen dan erkennen dat zij oog in oog staan met de Eerstgeborene van God, Die ze hebben doorstoken (Johannes 19:34).
We zullen dit prachtige onderwerp, hoe God Zich openbaart aan Zijn volk, ter wille van de omvang, hier verder moeten laten rusten. Waar het om gaat, is dat dit moment, waarover Ezechiël profeteert, niet aan het einde van het Duizendjarige rijk is. God zal Zich aan Israël openbaren in de grote Verdrukking. Dit idee wordt ook bevestigd door wat hierna wordt genoemd, over het inzamelen van de oorlogsbuit, waarover Ezechiël in de volgende verzen profeteert.
Het inzamelen van de oorlogsbuit (Ez. 39: 8-10)
De volgende verzen wijzen erop waarover wordt gesproken bij het inzamelen van de oorlogsbuit. Dit inzamelen kan ook veel beter worden begrepen wanneer dit gebeurt na de strijd bij Armageddon (aan het einde van de Verdrukking):
“Zie, het komt en zal gebeuren, spreekt de Heere HEERE. Dit is de dag waarover Ik gesproken heb. De inwoners van de steden van Israël zullen de stad uit gaan, een vuur aansteken en de wapens, de kleine en de grote schilden, de bogen en de pijlen, de handstokken en de speren verbranden. Zij zullen daarvan zeven jaar lang vuur stoken, zodat zij geen hout uit het veld hoeven te halen en niets uit de bossen hoeven te hakken, maar vuur kunnen stoken van de wapens. Zo zullen zij hun plunderaars plunderen en beroven wie hen beroofd hadden, spreekt de Heere HEERE” (Ez. 39:8-10).

Is het gegeven dat het volk Israël zeven jaar hun vuren zal stoken, van de wapens en schilden die het leger van Gog heeft achtergelaten, een detail waar we iets mee kunnen? Wat zegt dit over het moment waarop dit plaatsvindt? Kan dat verzamelen van de wapens verwijzen naar het einde van het Duizendjarige vrederijk? Jesaja schrijft over dat Vrederijk:
“Het zal in het laatste der dagen geschieden dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan als de hoogste van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels, en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen. Vele volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE, naar het huis van de God van Jakob; dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen, en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van de HEERE uit Jeruzalem. Hij zal oordelen tussen de heidenvolken en veel volken vonnissen. En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen. Oorlog voeren zullen zij niet meer leren” (Jesaja 2:2-4).
Tijdens het Millennium zullen de mensen hun zwaarden: vliegdekschepen, raketten en machinegeweren omsmelten tot landbouwgereedschap. Aan het einde van het Duizendjarige rijk is de oorlogsindustrie verdwenen en is de kennis van de oorlogsindustrie (hopelijk geheel) verdwenen. Zwaarden en speren zijn echter snel gemaakt. Dit zou er dus op kunnen wijzen dat de aanval van Gog, plaats zou kunnen vinden aan het einde van het Duizendjarige rijk.

Maar, als dit branden van het oorlogstuig van Gog zou plaatsvinden na het Duizendjarige rijk, dan lopen we tegen een ander probleem aan. Direct na de bestorming van Gog en Magog, aan het einde van het Duizendjarige rijk, beschrijft de Bijbel de komst van de nieuwe aarde. Het is ondenkbaar dat deze troep blijft liggen op de nieuwe aarde. Dat maakt het dus onwaarschijnlijk dat Israël na het Duizendjarige rijk de wapens van Gog en Magog van het slagveld zal halen om daar hun vuren mee te stoken.
De wapens van Gog en Magog
Als de profetie van Ezechiël hier niet wijst naar de inval van Gog aan het einde van het Duizendjarige rijk, maar naar het einde van de Verdrukking, dan zijn de schilden, knotsen en zwaarden van Gog, waarmee ze Israël binnenvalt, een beschrijving van modern wapentuig. De vraag is dan: hoe kan Israël zeven jaar lang hun kachel stoken met machinegeweren, vliegtuigen et cetera?

Wie wel eens (alleen in de media hoop ik) een explosie van een wapenvoorraad heeft gezien, weet hoe enorm brandbaar vuurwapens zijn. Moderne wapens hebben veel meer brandbaar materiaal dan knotsen en speren. Hedendaagse legers hebben niet alleen brandstof voor tanks, vliegtuig- en raketmotoren en springstof voor wapens nodig. Als er atoomwapens tussen zitten, dan is het aantal branduren al snel enorm. Sowieso kan Israël haar staalimport zeven jaar opschorten, om dat wat ze van het slagveld kan halen.
Het graf van Gog (Ez. 39: 11-16)
Vanaf vers elf wordt gesproken over het begraven van Gog en Magog. Ook dat is een indicatie voor de tijd waarop de aanval plaats zal vinden.
“Op die dag zal het gebeuren dat Ik Gog daar in Israël een plaats voor een graf zal geven, het dal van de reizigers, dat reizigers de weg verspert, ten oosten van de zee. Daar zullen zij Gog en heel zijn menigte begraven en zullen het noemen: Dal van de menigte van Gog. Het huis van Israël zal hen begraven om het land te reinigen, zeven maanden lang. Heel de bevolking van het land zal begraven. En het zal hun tot een naam zijn op de dag dat Ik Mijzelf verheerlijk, spreekt de Heere HEERE.
Ook zullen zij mannen afzonderen die voortdurend met de reizigers door het land trekken en hen die op het land achtergebleven zijn, begraven om het land te reinigen. Na verloop van zeven maanden moeten zij op onderzoek uitgaan. En als de reizigers door het land trekken en iemand een menselijk bot ziet, moet hij er een merkteken bij zetten, totdat de doodgravers het begraven hebben in het Dal van de menigte van Gog. (En Hamona is ook de naam van een stad.) Zo zullen zij het land reinigen” (Ez. 39:11-16).
Bij deze tekst lopen we aan tegen hetzelfde probleem dat we hadden bij het zeven jaar opstoken van de wapens van Gog en Magog. Over de inval van Gog staat in Openbaring (20):
“En zij (de legers van Gog en Magog) kwamen op over de breedte van de aarde, en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar er daalde vuur van God neer uit de hemel en dat verslond hen. En de duivel, die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse profeet reeds zijn. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheid.
En ik zag een grote witte troon, en Hem Die daarop zat. Voor Zijn aangezicht vluchtten de aarde en de hemel weg, zodat er geen plaats meer voor hen te vinden was. En ik zag de doden, klein en groot, voor God staan. En de boeken werden geopend en nog een ander boek werd geopend, namelijk het boek des levens. En de doden werden geoordeeld overeenkomstig wat in de boeken geschreven stond, naar hun werken. En de zee gaf de doden die in haar waren. Ook de dood en het rijk van de dood gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder overeenkomstig zijn werken. En de dood en het rijk van de dood werden in de poel van vuur geworpen. Dit is de tweede dood. En als iemand niet bleek ingeschreven te zijn in het boek des levens, werd hij in de poel van vuur geworpen.
En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee was er niet meer” (Openbaring 20:9-15, 21:1).
Openbaring (20) beschrijft dat als Gog Jeruzalem heeft omsingeld, er vuur van God neerdaalt en de duivel in de poel van vuur wordt geworpen en dat direct daarna het oordeel voor Gods troon zal plaatsvinden. In de voorbereiding voor dat oordeel staat er, staan alle gestorvenen op uit de dood om te worden geoordeeld. Direct na dat oordeel is er de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Wat zou het nut zijn van het begraven van de lijken van Gog, als de graven direct daarna weer opengaan?
Dit alles lijkt er dus op te wijzen dat de aanval van Gog niet zal plaatsvinden na het Duizendjarige rijk, maar aan het einde van de grote Verdrukking. Dit graf(monument) van Gog, in het ‘Dal van de menigte van Gog’, zal – gedurende de komende duizend jaar – Gog, maar ook de hele wereld, aan hun optreden bij Armageddon herinneren en hoe dit is afgelopen.

De waarschuwing zal echter niet veel helpen: de mensen vergeten spoedig de gebeurtenissen rondom de wederkomst, zoals de vroegere mensheid ten tijde van de zondvloed en Israël die de uittocht uit Egypte vergat. De goddeloosheid van Gog zal weer toeslaan, zodra de duivel wordt losgelaten.
Israël en de heidenvolken (Ez. 39: 21-29)
Dit laatste deel van de profetie van Ezechiël wijst ook weer naar het oordeel van God, tijdens de grote Verdrukking; dus voor het Duizendjarige rijk.
“Ik zal Mijn heerlijkheid onder de heidenvolken laten blijken. Alle heidenvolken zullen Mijn oordeel zien dat Ik geveld heb, en Mijn hand, die Ik op hen gelegd heb. Dan zullen zij die van het huis van Israël zijn, weten dat Ik, de HEERE, hun God ben, vanaf die dag en daarna.
Dan zullen de heidenvolken weten dat zij die van het huis van Israël zijn, om hun ongerechtigheid in ballingschap zijn gegaan. Omdat zij Mij ontrouw waren, verborg Ik Mijn aangezicht voor hen en gaf Ik hen in de hand van hun tegenstanders, zodat zij allen door het zwaard vielen. Overeenkomstig hun onreinheid en overeenkomstig hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen.
Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ik zal nu een omkeer brengen in de gevangenschap van Jakob, Ik zal Mij ontfermen over heel het huis van Israël en Ik zal het opnemen voor Mijn heilige Naam. Zij zullen hun schande moeten dragen, en heel hun trouwbreuk, die zij tegenover Mij gepleegd hebben toen zij onbezorgd in hun land woonden en er niemand was die hun schrik aanjoeg.
Wanneer Ik hen uit de volken terugbreng en hen bijeenbreng uit de landen van hun vijanden, zal Ik door hen voor de ogen van veel heidenvolken geheiligd worden. Dan zullen zij weten dat Ik, de HEERE, hun God ben, omdat Ik hen onder de heidenvolken in ballingschap voerde, maar hen ook weer verzamelde in hun land en niemand van hen daarginds nog liet achterblijven.
Ik zal Mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis van Israël heb uitgestort, spreekt de Heere HEERE” (Ez. 39:21-29).
In deze situatie worden de dezelfde aspecten beschreven, die ook eerder werden genoemd. Het gaat er hier weer over hoe God de heidenvolken Zijn heiligheid zal openbaren en hoe Hij Zich zal openbaren aan Zijn volk Israël. Over hoe God Zich zal openbaren aan Zijn volk, zagen we hiervoor in de tekst van Zacharia:
“Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als met de rouwklacht over een enig kind; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene” (Zacharia 12:10).
Over het heiligen aan de heidenvolken zegt Zacharia:
“Het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren” (Zacharia 14:16).
De heidenvolken zullen, na de Verdrukking, God verplicht moeten dienen. Dit alles wijst er dus op dat God door de heidenvolken zal worden geheiligd, vóór het Duizendjarige rijk begint.
Hoe zit het nu: is de ‘Ezechiël-oorlog’ nou vóór de verdrukking, aan het einde daarvan, of aan het einde van het Millennium?
We hopen hier volgende week meer zicht op te gaan krijgen.
Leest u ook weer mee?
Kees Middelbeek, augustus 2021
Met dank aan en toestemming van Kees Middelbeek geplaatst. Zie ook: https://www.mainstudies.com/
