Vindt de ‘Ezechiël-oorlog’ plaats
voor de grote verdrukking
na de grote verdrukking
of na het Duizendjarige rijk?
Moet God, aan het einde van de Duizendjarige rijk, Zich nog betonen als de Heilige voor de wereld?
De mensen die leven tijdens het Duizendjarige rijk, zijn zeer bevoorrecht. Ze hebben, om te beginnen, al het geluk dat ze de grote Verdrukking hebben overleefd. Ze hebben na de Verdrukking nooit meer oorlog of economische tegenslag gekend. Na duizend jaar economische voorspoed, zouden ze steenrijk kunnen zijn en in prachtige huizen kunnen wonen. In geestelijk opzicht hebben ze duizend jaar lang kans gehad om God te leren kennen en Zijn wil te begrijpen.
In onze tijd zijn er massa’s mensen die dit voorrecht niet hebben. Velen zijn verleid door valse religies of de atheïstische liberale filosofie van het liberalisme met haar evolutiemythe dat alles uit niets zou zijn ontstaan. Bovengenoemde mensen hebben dat allemaal niet hoeven meemaken.
Jesaja beschrijft hoe de volkeren van de wereld God zullen vrezen tijdens het Duizendjarige rijk:
“En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande Zijn wegen en opdat wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem. En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën” (Jesaja 2:2-4).
Elders zegt Jesaja hierover:
“Want het volk en het koninkrijk die U niet zullen dienen, zullen vergaan en die volken zullen totaal verwoest worden” (Jesaja 60:12).

De volkeren van de wereld zullen, tijdens het Duizendjarige rijk, God moeten dienen of ze het leuk vinden of niet. Aan het einde van het Duizendjarige rijk weet heel de wereld, uit eigen ervaring, hoe een leven onder de regering van God eruitziet. Ze hebben Christus in Zijn heiligheid van de hemel zien neerdalen aan het einde van de Verdrukking en ze hebben duizend jaar lang geleefd onder Zijn regering. Oftewel het moment waarop de heidenvolken Hem hebben leren kennen ligt dan al lang achter de rug. Toch zijn er velen die de regering van Christus, tijdens het Millennium, maar niks vinden. David profeteert over hen in de tweede Psalm:
“Waarom woeden de heidenvolken en bedenken de volken wat zonder inhoud is? De koningen van de aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde Laten wij Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen! (Psalm 2:1-3).
Wat zegt ons dit over het leren kennen van Gods heiligheid?
De volken van de aarde kennen aan het einde van het Millennium de heiligheid van God zeer goed. Aan het einde van het Duizendjarige vrederijk weet elke heiden en elk volk van de wereld, hoe groot en machtig God is. Waarom zou God dan na het Duizendjarige rijk de wereld hier nog eens op gewelddadige manier van willen overtuigen?
De kennis van Gods heerlijkheid en Zijn macht leidt er echter niet toe dat alle mensen zich daarnaar zullen gedragen. Velen spannen zich na het Duizendjarige rijk in om Gods wetten, die ze als strakke banden hebben ervaren, af te werpen.
Als er beschreven staat dat het doel van de aanval van Gog en Magog is om Gods heiligheid bekend te maken, dan lijkt dat dus niet te gaan over de tijd na het Duizendjarige rijk; de volken hebben daar al kennis van.
Heiligt God zich aan het einde van de Verdrukking?
Dit alles overzien hebbend is het aannemelijker dat God Zijn heiligheid zal tonen aan het einde van de Verdrukking. Aan het einde van de Verdrukking, zo zagen we, daalt Christus in al zijn toorn, macht en heerlijkheid neer. Over dat moment staat in Ezechiël:
“Op die dag zal het gebeuren, op de dag dat Gog over het land van Israël komt, spreekt de Heere HEERE, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opstijgen Want in Mijn na-ijver, in het vuur van Mijn verbolgenheid, heb Ik gesproken:
Voorwaar, op die dag zal een zware aardbeving het land van Israël treffen! De vissen in de zee, de vogels in de lucht, de dieren van het veld, al de kruipende dieren die op de aardbodem kruipen, en alle mensen die op de aardbodem zijn, zullen voor Mijn aangezicht beven. De bergen zullen omvergehaald worden, de bergwanden zullen instorten en alle muren zullen op de grond neervallen” (Ezechiël 38:18-20).
Deze zaken beschrijft de Openbaring ook. Johannes beschrijft de aardbeving en de bergen in zijn profetie:
“En ik zag toen het Lam het zesde zegel geopend had, en zie, er kwam een grote aardbeving, en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed, en de sterren van de hemel vielen op de aarde, zoals een vijgenboom zijn onrijpe vijgen afwerpt als hij door een harde wind wordt geschud. En de hemel week terug als een boekrol die wordt opgerold. En alle bergen en alle eilanden werden van hun plaats gerukt. En de koningen van de aarde, de groten, de rijken, de oversten over duizend, de machtigen en alle slaven en vrije mensen verborgen zich in de grotten en tussen de rotsen in de bergen. En zij zeiden tegen de bergen en de rotsen: Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van Hem Die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam” (Openbaring 6:12-16).
Ezechiël gaat verder:
“Op al Mijn bergen zal Ik een zwaard tegen hem oproepen, spreekt de Heere HEERE. Ieders zwaard zal tegen zijn broeder zijn. Ik zal met hem een rechtszaak voeren door pest en door bloed. Ik zal een alles wegspoelende regen, en hagelstenen, vuur en zwavel op hem doen regenen, op zijn troepen en op de vele volken die met hem zijn” (Ezechiël 38:21,22).
Dit zwaard en de pest worden beschreven bij het openen van het tweede en vierde zegel van de boekrol (Openbaring 6:4-8). De eerste bazuin beschrijft de regen van hagel en bloed vermengd met vuur (Openbaring 8:7).
De hagel, bliksemstralen, donderslagen worden door Johannes beschreven aan het einde van de Verdrukking.
“En de tempel van God in de hemel werd geopend en de ark van Zijn verbond werd zichtbaar in Zijn tempel. En er kwamen bliksemstralen, stemmen, donderslagen, een aardbeving en grote hagel” (Openbaring 11:19).
Vooral die hagel, als het niet zo gruwelijk was, is fascinerend om over te lezen. Hierover beschrijft de Openbaring:
“En grote hagelstenen, elk ongeveer een talent zwaar, vielen uit de hemel op de mensen neer. Maar de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want de plaag van de hagel was zeer groot” (Openbaring 16:21).
Een talent is dertig kilo. De ravage die een stortbui van deze omvang zal veroorzaken is enorm. God zegt hierover tegen Job (het oudste boek van de Bijbel):
“Bent u gekomen bij de schatkamers van de sneeuw? Hebt u de schatkamers van de hagel gezien, die Ik achterhoud voor de tijd van benauwdheid, voor de dag van strijd en oorlog?” (Job 38:22,23).
God heeft de hagel voor de dag dat Jezus zou terugkomen op aarde al duizenden jaren klaarliggen. Of dit verwijst naar de inslag van een meteoor op de noord- of zuidpool wat ijs in de dampkring zal brengen wat onder geweld zal neerslaan? Wie zal het zeggen.
Op die dag toont God, bij Armageddon, Zijn macht aan de wereld als Hij in een handomdraai de legers van de natiën, waaronder die van Gog en Magog, die zich hebben geschaard onder de Antichrist, vernietigt. Over dit moment staat in Openbaring (19):
“En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zat, werd getrouw en waarachtig genoemd. En Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid. En Zijn ogen waren als een vuurvlam en op Zijn hoofd waren vele diademen. Hij had een naam, die opgeschreven was, en die niemand kent dan Hijzelf. En Hij was bekleed met een in bloed gedoopt bovenkleed, en Zijn naam luidt: Het Woord van God. En de legers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed in fijn linnen, wit en smetteloos. En uit Zijn mond kwam een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de heidenvolken zou slaan. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf. En Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmige toorn van de almachtige God” (Openbaring 19:11-15).

Hier staat dat Christus oorlog voert; dat Hij de heidenvolken zal slaan met een scherp zwaard; dat Hij deze volken zal hoeden met een ijzeren staf en dat Hij deze volken zal treden alsof zij druiven zijn in een wijnpersbak.
Zetten we dit op een rij, dan is de meest logische verklaring dat de informatie dat God Gog en Magog gebruikt om de heidenvolken Zijn heiligheid te leren, verwijst naar de oorlog van Armageddon. Dat is dus aan het einde van de grote Verdrukking.
Is dit dan in strijd met wat we eerder zagen over Gog en dat hij Israël zou aanvallen als het van de oorlog te Armageddon is hersteld? Dat Gog dat zal doen als alle Joden terug zijn in hun land en als Israël zeer rijk is? Kortom allemaal zaken die leken te wijzen naar het einde van het Duizendjarige rijk?
Hier eindigt het achtendertigste hoofdstuk van Ezechiël. De profetie over Gog en Magog gaat verder in het volgende hoofdstuk. Wat vinden we daar nog aan informatie wat ons kan helpen om te begrijpen wanneer de profetie over Gog en Magog zal worden vervuld?
We hopen hier volgende week meer over te leren.
Kees Middelbeek, augustus 2021
Met dank aan en toestemming van Kees Middelbeek geplaatst. Zie ook: https://www.mainstudies.com/
