DE GENEZING VAN NAÄMAN (5)

5 Bijbelstudies over 2 Koningen 5

5. Gehazi’s einde

Nadat wij de genezing van Naäman hebben gezien en zijn toewijding aan de ware God, moeten wij helaas nog stilstaan bij het ongelukkige einde van Gehazi. Zijn lot vormt een ernstige waarschuwing voor naamchristenen.

Gehazi verrijkt zichzelf

Het slot van 2 Koningen 5 vormt de donkere tegenhanger van het verhaal over Naäman’s reiniging. De hebzucht van Gehazi steekt schril af tegen de onbaatzuchtigheid van Elisa. De leugens van de dienstknecht doen de oprechtheid van de meester des te sterker uitkomen.

Wij zien hier ook dat God hart en nieren toetst (Ps. 7:10; Jer. 11:20). Hij oordeelt de gedachten en overleggingen van het hart (Hebr. 4:12). Hij brengt zelfs aan het licht wat in de duisternis verborgen is en maakt de raadslagen van de harten openbaar (1 Kor. 4:5). Hij is machtig om schijngelovigen te ontmaskeren, want Hij weet alle dingen.

Zo krijgen wij hier te horen wat Gehazi bij zichzelf dacht en wat voor plan hij beraamde (vs. 20). Hij ging uit van de gedachte dat zijn geheim wel verborgen zou blijven en hield geen rekening met de levende God. Wat een misrekening, wat een vergissing, te denken dat hij ongestraft misbruik kon maken van zijn positie en van de autoriteit van de man Gods!

Gehazi viel, gedreven door de begeerte naar geld en goed, van de ene zonde in de andere. Het is een treurig zondenregister vol leugen en bedrog, minachting voor zijn meester en misbruik van diens gezag. Inderdaad, de geldzucht is een wortel van alle kwaad (1 Tim. 6:10). En de hebzucht is afgodendienst (Kol. 3:5). Hij waagde het zelfs te zweren bij Gods naam: ‘Zo waar de HEERE leeft’. Wat een schaamteloze eed!

Gehazi voerde wel een vrome vlag, maar hij zou snel ontmaskerd worden. De knecht van de profeet had weinig respect voor de handelwijze van zijn heer. Onbegrijpelijk dat zijn meester die Syriër, die vijand van Israël, zo geheel belangeloos had geholpen. Dat Naäman daardoor de God van Israël had leren kennen en uit genade had leren leven, vond hij kennelijk van minder belang. Het was toch jammer zo’n kans voorbij te laten gaan! Snel erachter aan om dit verzuim goed te maken.

Naäman zag dat iemand hem achter nakwam. Hij sprong van zijn wagen af en vroeg bezorgd: Is alles goed? Gehazi had zijn leugen klaar. Er waren twee (arme) profeten bij Elisa gekomen. Nu was de vraag of zij een talent zilver en twee stel gewaden zouden kunnen krijgen. Natuurlijk, antwoordde Naäman. Hij was blij dat hij zijn dankbaarheid ook op deze manier nog kon tonen, en gaf het dubbele van het gevraagde zilver. Met behulp van twee van Naäman’s knechten droeg Gehazi alles naar de heuvel bij Elisa’s huis. Daar nam hij afscheid van de mannen. De schat verborg hij op een veilige plaats (vs. 21-24).

Zijn confrontatie met Elisa

Alsof er helemaal niets was gebeurd, ging Gehazi vervolgens als een trouwe dienaar voor zijn heer staan. Elisa stelde een ontdekkende vraag: ‘Waar kom je vandaan, Gehazi?’ Het was een indringende vraag, zoals wij die wel vaker tegenkomen in de Schrift (‘Waar bent u?’, ‘Wat hebt u gedaan?’, ‘Vanwaar komt u, en waar zult u heengaan?’ (Gen. 3:9; 4:10; 16:8).

Met een laatste leugen probeerde de knecht van de profeet zijn bedrog te bedekken: ‘Uw dienaar is niet hierheen of daarheen gegaan’ (vs. 25). Daarop volgde zijn ontmaskering. Elisa had op bovennatuurlijke wijze alles meegemaakt en gezien wat zich had afgespeeld: ‘Ging mijn hart niet mee?’ (vs. 26a).

Elisa stelde nog een laatste retorische vraag: ‘Was het tijd om dat zilver aan te nemen en gewaden aan te nemen, om olijfbomen en wijngaarden, schapen en runderen, dienaren en dienaressen te kunnen kopen?’ (vs. 26b). Gehazi dacht inderdaad dat de kans van zijn leven was gekomen om een beter bestaan te kunnen opbouwen. Hoeveel gelovigen zijn ook nu nog in de ban van materiële welvaart!

Maar als wij nog een andere, wat vrije toepassing van dit vers mogen maken, dan zien wij hier dat Gehazi niet onderkende in welke tijd hij leefde. Hij realiseerde zich niet dat het de tijd was waarin het oordeel voor de deur stond (vgl. Luk. 12:56). Hij begreep niet dat het beter was om met de man Gods smaadheid te lijden, dan in rijkdom en overdaad te leven. Hoe is dat met ons? Begrijpen wij wel dat wij leven in de eindtijd? Kennen wij de juiste tijden, zodat wij weten wat Gods volk doen moet (vgl. 1 Kron. 12:32)? Stemmen wij in met de woorden: ‘Uw knecht te zijn is groter ere, dan over de aarde te regeren’?

Zijn straf

Gehazi werd gestraft met dezelfde ziekte, waarvoor Naäman genezing had gevonden. Nu hij zich het zilver van Naäman onrechtmatig had toegeëigend, kreeg hij ook diens ziekte. Bovendien was het een collectieve straf (vgl. Joz. 7:24; Dan. 6:25). De melaatsheid zou altijd in zijn familie blijven (vs. 27a).

Daarop verliet Gehazi zijn meester: ‘Toen ging hij bij hem weg, melaats, wit als de sneeuw’ (vs. 27b; vgl. Ex. 4:6; Num. 12:10). Volledig getekend door de ziekte verliet hij hem. Hij kon niet langer in de nabijheid van Elisa blijven, hoewel hij volgens de wet op de melaatsheid formeel gezien rein verklaard had kunnen worden (Lev. 13:13).

Deze zware straf was in overeenstemming met de ernst van het kwaad dat hij had bedreven:

  1. Hij had zich niet gerealiseerd dat de geldzucht een wortel is van alle kwaad.
  2. Hij had toegegeven aan zijn vleselijke begeerten naar geld en goed.
  3. Hij had de autoriteit van de man Gods misbruikt tegenover Naäman.
  4. Hij had tegenover de profeet gelogen.
  5. Hij had een smet geworpen op het genadige handelen van God ten opzichte van een niet-Israëliet.
  6. Hij had geen juist begrip getoond van de tijd waarin hij leefde.

Maar wat verschrikkelijk voor iemand die lang dichtbij Elisa had geleefd, om zo weg te moeten gaan uit de tegenwoordigheid van de profeet! Wij weten niet of hij hem ooit weer onder ogen gekomen is. Dit is een ernstige waarschuwing voor naambelijders, voor al diegenen die van huis uit vertrouwd zijn met de ‘Man Gods’, maar Hem toch niet kennen met hun hart.

Het einde van Gehazi doet denken aan dat wat Paulus, een belangrijke godsman in het Nieuwe Testament, schreef aan mensen die uiterlijk beleden de Heer te kennen: ‘Als iemand de Heer niet liefheeft, die zij vervloekt. Maranatha’ (1 Kor. 16:22). Zo iemand wacht alleen nog het oordeel, het eeuwig verderf, de verwijdering voor altijd van het aangezicht van de Heere.

Gespreksvragen:

  • (1) Bent u echt een gelovige? Hoe weet u dat (vgl. 2 Kor. 13:5)?
  • (2) Is uw hart ten diepste nog gericht op de afgoden? Realiseert u zich dat u dan evenals Gehazi verwerpelijk bent?
  • (3) Of zoekt u met een oprecht hart de nabijheid van Christus, de ware Man Gods?

Met dank aan en toestemming van dhr. H. Bouter geplaatst. Mocht u toch de voorkeur geven aan een fysiek boekje om deze als naslagwerk in huis te hebben, dan kunt u deze bestellen bij o.a. uitgeverijdaniel.nl. Het ISBN nummer is 9789070926380. Ook kunt u deze gratis als pdf downloaden op oudesporen.nl.

Vergelijkbare berichten