DE GENEZING VAN NAÄMAN (4)

5 Bijbelstudies over 2 Koningen 5

4. WANDELEN IN NIEUWHEID VAN LEVEN

In dit vierde hoofdstuk zien wij hoe Naäman na zijn reiniging voortaan de ene ware God wilde dienen. Dat behelst een belangrijke les voor ons, want als christenen willen wij ook uitsluitend de levende en waarachtige God dienen en Hem grootmaken.

Een leven uit dankbaarheid

Wat was Naämans reactie op zijn redding en reiniging? Hij ging terug naar Elisa om zijn dankbaarheid te tonen (vers 15a). In dit opzicht lijkt hij sprekend op de Samaritaan in Lukas 17, een vreemdeling die ook terugkeerde om God te danken en te prijzen, nadat hij gereinigd was van zijn melaatsheid. Dat mogen wij ook doen als verlosten. Wij mogen onze Redder te voet vallen en Hem huldigen voor de verkregen verlossing.

Als nieuwe mensen zullen wij ook een nieuwe gehoorzaamheid tonen. Dat zien wij in type ook hier. Er was bij Naäman geen spoor van trots meer te bekennen, toen hij terugkwam bij de man Gods, met zijn hele gevolg (lett. ‘leger’). Hij bleef niet op zijn wagen zitten, zoals bij de eerste ontmoeting, maar ging het huis van de profeet binnen. Heel nederig sprak hij over zichzelf als Elisa’s dienaar: ‘Zie toch, nu weet ik dat er op de hele aarde geen God is dan in Israël. Nu dan, neem toch een geschenk aan van uw dienaar’ (vs. 15b).

Naäman had de ware God leren kennen, de God van Israël, de Schepper van hemel en aarde. Hij erkende dat alle andere goden afgoden waren, die volkomen machteloos waren om te verlossen (vgl. Jes. 45:20). Deze God wilde hij zijn dank betalen. Daarom bood hij Elisa een geschenk aan. Dat was wel goed bedoeld, maar hij moest leren dat Gods genade gratis was. Dat beginsel geldt ook voor ons. Wij kunnen niets betalen voor onze verlossing, niet vooraf en niet achteraf. Het heil in Christus is een vrije gave. De zegen komt van boven.

Daarom wees de profeet een beloning resoluut van de hand. Hij was slechts een dienaar van de levende God en kon niets aannemen voor het wonder van Naämans reiniging. Hoewel deze bij hem aandrong dat hij iets zou aannemen, bleef hij weigeren (vs. 16). Dit beginsel geldt ook voor ons: ‘U hebt het voor niets ontvangen, geef het voor niets’ (Matt. 10:8). Het getuigt van een verdorven denken, als wij de godsvrucht, de dienst van God, als iets winstgevends beschouwen (1 Tim. 6:5). Gehazi was wel zo iemand die het spoor van de waarheid bijster geraakt was, zoals wij nog zullen zien.

Een leven in Gods tegenwoordigheid

Maar Naäman had het hart wel op de juiste plaats. Hij wilde hoe dan ook de God van Israël dienen. Hoewel hij de profeet niets kon betalen voor zijn reiniging, kon hij hem wel iets vragen. Want Naäman wilde echt een nieuw leven gaan leiden. Zo is dat ook met ons. Nadat wij met Christus zijn opgewekt in een nieuw leven, mogen wij wandelen in de goede werken die God tevoren voor ons heeft bereid (Ef. 2:10).

De legeroverste had de volgende wens: ‘Naäman zei daarop: Zo niet, laat dan toch aan uw dienaar een last aarde gegeven worden, zoveel als een span muildieren dragen kan, want uw dienaar zal geen brandoffer of slachtoffer meer brengen aan andere goden, dan alleen aan de HEERE’ (vs. 17). Hier hebben wij het bewijs van zijn bekering, de vrucht van het nieuwe leven dat hij had ontvangen. Als wij ons van de afgoden tot God hebben bekeerd, zullen wij ook het verlangen hebben om voortaan alleen de levende en waarachtige God te dienen (vgl. 1 Thess. 1:9). Dat moet dan wel in overeenstemming met Zijn gedachten gebeuren, op een grondslag die beantwoordt aan Zijn heiligheid, zoals Naäman Hem op reine bodem wilde dienen.

Waarschijnlijk heeft hij van deze last aarde een ‘altaar van aarde’ voor de HEERE gemaakt en daarop zijn brandoffers en vredeoffers geofferd (vgl. Ex. 20:24). Ook de aartsvaders van het volk Israël waren ‘altaarbouwers’, zoals wij zien in het boek Genesis. Het dienen van de ware God krijgt gestalte in onze persoonlijke aanbidding, onze persoonlijke handel en wandel, maar ook in onze gemeenschappelijke eredienst. Hebben wij zo’n altaar, waarbij wij de naam van de HEERE kunnen aanroepen?

Als christenen hebben wij inderdaad ook een altaar, zoals de Brief aan de Hebreeën duidelijk zegt. Dat is geen letterlijk altaar van aarde, van koper of goud, maar een ‘altaar’ in de figuurlijke zin van het woord. Wij hebben een plaats waar wij God ontmoeten, of beter gezegd: een Persoon door Wie wij tot God naderen. Christus Zelf is het grote Middelpunt van onze eredienst en door Hem mogen wij vrij tot God naderen (Hebr. 13:10,15).

Dienen wij God zo met een dankbaar hart, persoonlijk en gezamenlijk? Komen wij als ‘priesters’ bij Hem? Brengen wij Hem onze dankoffers, onze hulde voor het heil dat ons geschonken is, onze lof voor de verkregen verlossing? Zijn wij ervan doordrongen dat wij onze redding en reiniging uitsluitend aan Hem te danken hebben?

Een leven zonder compromissen

Maar wij zien hier nog iets anders. Zo’n leven uit dankbaarheid zal zeker ook moeilijkheden met zich meebrengen. Want wij kunnen niet God dienen én de wereld. De mensen die ons omringen zullen aandringen op het sluiten van compromissen. Naäman had ook zo’n probleem. Hij was zich onmiddellijk daarvan bewust en noemde het eerlijk tegenover Elisa (vers 18). Zijn heer, de koning van Syrië, zou zeker een afgodendienaar blijven. Mocht hij als de lijfdienaar van de koning, die op zijn arm leunde (vgl. 7:2), de afgodstempel betreden? Zou de HEERE het hem vergeven als hij zich uit hoofde van zijn functie mee zou neerbuigen voor Rimmon?*

Hij kreeg geen ingewikkeld antwoord. De profeet zei eenvoudig: ‘Ga in vrede’ (vs. 19). Dat betekent niet dat Elisa een dergelijke tweeslachtigheid goedkeurde. Het was onmogelijk om God te dienen én Rimmon, zelfs al gebeurde dit laatste slechts voor de vorm. God wil niet dat een gelovige gemeenschap heeft met de afgoden (1 Kor. 10:14 e.v.). Maar de HEERE zou deze moeilijkheid wel op Zijn tijd en wijze oplossen. Daarvan was Elisa overtuigd en zo kon hij hem geruststellen. De bekeerde Naäman kon zijn weg met blijdschap reizen, zoals dat in het Nieuwe Testament zo mooi gezegd wordt van de Ethiopische hoveling (Hand. 8:39). De vrede die hij nu had, kon niemand hem ontnemen.

Daarom was dit ook een heel wijs antwoord. Mensen die onlangs tot bekering en geloof gekomen zijn, moeten geen lange lijst met geboden en verboden voorgeschoteld krijgen. Zij moeten in geloof en vertrouwen hun weg leren gaan. God Zelf zal hen leiden in het rechte spoor en hen helpen om hun problemen tot een oplossing te brengen.

* Rimmon was de god van de Syriërs en de Assyrische god van de donder. Hij is dezelfde als Hadad, waarvan de naam Benhadad is afgeleid. Beide namen komen ook gecombineerd voor in de volgorde: Hadad-Rimmon (Zach. 12:11).

Gespreksvragen:

  • (1) Hoe brengt u God dank voor de verkregen verlossing?
  • (2) Welk ‘altaar’ hebt u, ik bedoel niet een letterlijk altaar van aarde, of van koper of goud, maar een plek van eredienst in figuurlijke zin?
  • (3) Welke rol spelen mogelijke compromissen in uw leven als gelovige?

Met dank aan en toestemming van dhr. H. Bouter geplaatst. Mocht u toch de voorkeur geven aan een fysiek boekje om deze als naslagwerk in huis te hebben, dan kunt u deze bestellen bij o.a. uitgeverijdaniel.nl. Het ISBN nummer is 9789070926380. Ook kunt u deze gratis als pdf downloaden op oudesporen.nl.

Vergelijkbare berichten