DE GENEZING VAN NAÄMAN (2)

5 Bijbelstudies over 2 Koningen 5

2. EEN ONVERWACHT ADVIES

In het eerste hoofdstuk hebben wij gezien waarom melaatsheid een beeld is van de zonde. Nu zien wij hoe een jong meisje uit het land Israël de machtige legeroverste de weg tot behoud wees.

Verder blijkt hier dat geen mens Naäman kon helpen: noch de koning van Syrië, noch die van Israël. De goden van Damascus konden evenmin uitkomst bieden. Alleen bij de God van Israël was redding te vinden. Daarom moest Naäman naar Elisa, de vertegenwoordiger van de levende en waarachtige God.

Een jong meisje uit Israël

Het probleem van Naäman was vanuit menselijk oogpunt onoplosbaar. Maar de geschiedenis van zijn genezing maakt ons gelukkig ook duidelijk dat er redding te vinden is bij God. Hij alleen kon Naäman verlossen van diens melaatsheid. Ja, Hij verlost ons zelfs van de ‘zondeziekte’. Maar dan moeten wij wel aan het goede adres zijn en ons heil niet zoeken bij de magiërs van deze wereld (vgl. vers 11). Het is de levende en waarachtige God Die ons kan helpen.

Het ontroerende van dit verhaal is dat een jong meisje uit het land Israël de machtige Naäman de weg tot behoud mocht wijzen. Heel eenvoudig getuigde zij tegenover haar meesteres van haar geloof: ‘Och, was mijn heer maar bij de profeet die in Samaria is; dan zou die zijn melaatsheid bij hem wegnemen’ (vs. 3).

Syrische roversbenden hadden haar ontvoerd en verkocht op de slavenmarkt in Damascus. Dat was in feite een bewijs van Gods oordeel over Zijn volk. Mozes had dat al gezegd: ‘Uw zonen en uw dochters zullen aan een ander volk gegeven worden; uw ogen moeten het aanzien en zullen de hele dag naar hen smachten; maar u zult niet bij machte zijn iets te doen’ (Deut. 28:32). Op die manier was dit jonge meisje dus in de huishouding van de Syrische legeroverste terechtgekomen (vers 2). Naäman’s vrouw was haar meesteres geworden. God had dit toegelaten en Hij had het ook zo geleid, want Hij had er Zijn wijze bedoelingen mee.

Dit meisje liet zich in haar nieuwe omgeving gelukkig niet leiden door haatgevoelens. Ondanks haar jeugdige leeftijd en ondanks de moeilijke omstandigheden waarin zij verkeerde in het vreemde land, was zij een getuige van de God van Israël en had zij zelfs haar vijanden lief. Evenzo zijn wij als gelovigen in een vijandige wereld gezanten, ambassadeurs voor Christus en mogen wij getuigen van de hoop die in ons is (2 Kor. 5:20; 1 Petr. 3:15). Zijn wij ons bewust van die hoge roeping?

Dit jonge meisje had een groot geloof in haar God en in Zijn profeet. Hoe wist zij dat Elisa bereid en in staat was om generaal Naäman te verlossen van zijn melaatsheid? Het was alleen haar geloof dat haar dit influisterde. Elisa had wel allerlei wonderen verricht, maar nog nooit een melaatse genezen. Wij kunnen dat lezen in het Nieuwe Testament. Hoewel er vele melaatsen in Israël waren in die dagen, werd niemand van hen gereinigd (Luk. 4:27). Het volk van God lag onder het oordeel, want de Israëlieten dienden de afgoden. Niemand van hen werd gereinigd in die dagen, maar wel Naäman de Syriër. Gods genade ging dus uit naar een heiden.

Naar de koning van Israël

Naäman’s vrouw hechtte geloof aan de woorden van haar slavin, en zij sprak erover met haar man. Naäman sprak erover met zijn heer, de koning van Syrië (vs. 4). De ziekte van de legeroverste was ondertussen een publiek geheim geworden. Van het een kwam het ander en de zaak werd op diplomatieke wijze aangepakt – wat ook in medische kwesties niet ongebruikelijk schijnt te zijn geweest in de antieke wereld. De bedoeling daarvan was dat de koning van Israël vervolgens ‘de profeet in Samaria’ zou benaderen, die volgens wereldse maatstaven immers zijn ondergeschikte was.

Naäman kreeg een brief mee van zijn koning en bovendien een groot geschenk. De koning van Syrië was bereid om diep in de buidel te tasten voor het welzijn van één van zijn beste onderdanen. Het geschenk bestond uit een hoeveelheid van maar liefst vierhonderdvijftig kilo zilver, tweeënzeventig kilo goud en tien stel gewaden (vs. 5). Dat vertegenwoordigde een enorm vermogen. Het goud en zilver had een waarde van miljoenen euro’s.

Zo arriveerde Naäman in Samaria, met de brief waarin geschreven stond: ‘Nu dan, wanneer deze brief bij u aangekomen is, zie, ik heb mijn dienaar Naäman naar u toegestuurd, opdat u zijn melaatsheid bij hem wegneemt’ (vs. 6). Zijn komst veroorzaakte een hele opschudding aan het hof van de koning van Israël. Deze vatte de brief namelijk op als een voorwendsel, een oorlogsprovocatie (vs. 7). In wanhoop scheurde hij zijn kleren.

Zo’n pessimistische reactie was van koning Joram ook wel te verwachten (vgl. 2 Kon. 3:13). De koning wist heel goed dat hij geen ‘godenzoon’ was aan wie genezende kracht kon worden toegeschreven – zo zagen de heidense volken hun koningen maar al te vaak. Maar hij maakte helaas een verkeerd gebruik van Gods naam door te zeggen: ‘Ben ik dan God, om te doden en om levend te maken, dat deze man iemand naar mij toestuurt om bij een man zijn melaatsheid weg te nemen?’ Dit typeert trouwens wel de ernst van de ziekte: alleen God, die deze dodelijke kwaal gezonden had, kon uitkomst geven en de ‘dode’ levend maken.

Naar Elisa

Koning Joram scheen helemaal niet te denken aan Elisa, hoewel de profeet in die dagen toch het kanaal was van Gods zegen. God stak als het ware door middel van hem Zijn reddende hand toe aan Israël. Maar de profeet bleek niet geëerd te zijn in zijn vaderstad – Elisa woonde kennelijk weer in de hoofdstad (vgl. 2 Kon. 2:25; 6:32). Hij moest zelf het initiatief nemen.

Daarom stuurde hij de koning de boodschap: ‘Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Laat hem toch naar mij toe komen. Dan zal hij weten dat er een profeet in Israël is’ (vs. 8b). Zo kwam de zieke generaal Naäman uiteindelijk bij Elisa, die hier ook ‘de man Gods’ wordt genoemd (vs. 8a). Hier was hij aan het goede adres. Want de man Gods was de dienaar van de levende God, Die inderdaad de macht heeft om te kunnen doden en levend te maken.

Maar er was toch een probleem. Naäman kwam in het besef van zijn eigen waardigheid, ‘met zijn paarden en met zijn wagen’ (vs. 9). Hij zat veel te hoog te paard. Maar als wij in die houding bij God komen, kan Hij ons niet helpen. Naäman kon niet op zijn eigen voorwaarden geholpen worden, dat kon alleen op de condities die God stelde. Dat moest hij leren, zoals wij nog zullen zien.

Maar dat is nu juist wat iedere zondaar moet leren: in het besef van eigen onwaardigheid tot God te komen. Het heeft geen zin om te proberen mijzelf te verbeteren of de verlossing zelf te willen verdienen. Ik moet komen zoals ik ben, en zo wil God mij aannemen. Hij doet dat uit vrije genade.

Gespreksvragen

  • (1) Bent u, zoals dit jonge meisje, in uw eigen omgeving ook een gezant, een getuige van de levende en waarachtige God?
  • (2) Verwacht u uw heil van mensen, van de grote mannen in deze wereld?
  • (3) Of bent u ervan doordrongen dat alleen de Man Gods, dat is Christus, uitkomst kan bieden?

Met dank aan en toestemming van dhr. H. Bouter geplaatst. Mocht u toch de voorkeur geven aan een fysiek boekje om deze als naslagwerk in huis te hebben, dan kunt u deze bestellen bij o.a. uitgeverijdaniel.nl. Het ISBN nummer is 9789070926380. Ook kunt u deze gratis als pdf downloaden op oudesporen.nl.

Vergelijkbare berichten