De bekering van de Ethiopische hoveling

Handelingen 8:26-40

De gemeente werd in de begintijd vervolgd en verstrooid, maar zij gingen het land door en verkondigden het woord. Zo werd het bevel van Handelingen 1:8 gehoorzaamd. We zien hier in Handelingen 8 eerst het geloof dat niet redt. Want Simon de tovenaar was in de ban van het geld en de macht. Petrus zegt dat hij in een warnet van ongerechtigheid was (Hand. 8:22-23).

Het geloof dat wel redt, zien we in de geschiedenis van Filippus en de ontmande (alle hovelingen werden in de oudheid beroofd van hun mannelijkheid, zodat de leiders minder problemen zouden hebben met hun functionarissen), die uit Ethiopië kwam (Hand. 8:26-40). De opdracht van Gods gemeente is om een licht te zijn (Matt. 5:16). Dit werd eerder ook van Israël verwacht (Jes. 42:6). We zijn geen reservoir, maar een doorgeefluik. Het volk van God was ongehoorzaam geweest. Denk aan Jona 4:1-3 en aan de vele vormen van afgoderij.

Het reddende geloof heeft goede voorbereidingen nodig. De redding is Gods werk en wordt gerealiseerd door Zijn genade. De mens is geestelijk dood (Ef. 2:8-9). Doden kunnen niet horen en geloven (1 Kor. 2:14). De Heere trekt altijd aan ons (Joh. 6:44). Zonder Gods Geest is het geloof een dwaasheid (1 Kor. 1:23). De satan en zijn demonen houden de mensen in de duisternis (2 Kor. 4:3-4). Gods Geest is hier aan het werk door Filippus, die een van de zeven diakenen was (Hand. 6:5), maar die als enige in Handelingen 21:8 ‘de evangelist’ wordt genoemd. Filippus oogst wat eerder gezaaid was (Luk. 10:25-37; Joh. 4). De prediking gaat om een Persoon, Christus (Hand. 8:5). Zo was Petrus ook begonnen met zijn prediking in Jeruzalem (Hand. 2:22).

Filippus werd geroepen als Joodse evangelist vanuit een opwekking waar half-Joden (Samaritanen) werden bereikt, om het evangelie te brengen aan een niet-Joodse zwarte man uit Afrika. Die man uit Ethiopië was een zoeker naar de ware God. Geen reis was hem te lang. De Heere kent het hart. Ondanks dat hij van alles bezat, was er een leegte in zijn hart. Hij was een ontmande en daarom vond hij in Jeruzalem gesloten deuren (Deut. 23:1). Hij kon niet verder komen als een godvrezende (vgl. Hand. 10:1-2). De Heere beloonde het zoekende hart (Jer. 29:13). Hij wandelde in het licht dat hij had (Joh. 7:17). Hij had de boekrol van Jesaja gekocht en was op de terugweg; en hij had al 52 hoofdstukken gelezen. Jesaja 56:3-5 is een bemoedigend gedeelte voor ontmanden. En de Schriften spreken profetisch alleen over Jezus (Joh. 5:39, 46; Luk. 24:25-27; Rom. 10:12-15).

Alles was nu voorbereid. Filippus was gehoorzaam en de man las Gods Woord. Plotselinge gehoorzaamheid werd gevolgd door vrijmoedigheid (vgl. Hand. 4:31). De eunuch nodigde die Joodse man om in zijn wagen te komen zitten (Jes. 55:6-7). Het juiste gedeelte werd gelezen, om van daaruit over de Heere Jezus te kunnen spreken. Het ging niet om Israël, noch om Jesaja, maar wel om de Heere Jezus (1 Petr. 3:15; Rom. 1:16). De reactie van de hoveling getuigde duidelijk van zijn geloof (Hand. 8:37-38). Direct hierna kwamen zij langs wat water en kon de hoveling kleur bekennen, net als de hoorders in Handelingen 2.

Met Christus gestorven, begraven en ook weer opgestaan tot een heel nieuw leven. Zo konden ze samen in het water gaan. De eunuch ging onder en kwam samen met Filippus weer uit het water. Het gaat hier om geloof, gehoorzaamheid en vreugde. Vreugde is ons kenmerk. Filippus was opeens weg en deed wat hij altijd deed, tot in Caesarea waar hij ging wonen. De ontmande had de Heere God gevonden en ging zijn weg met blijdschap (Hand. 8:39-40).

Zijn Shalom, Johan.

Met dank aan en toestemming van Johan Schep geplaatst. Zie ook: https://www.oudesporen.nl/Download/OS3919.pdf en www.johan-linda.com.

Vergelijkbare berichten